Moeder
Twee takken als armen,
Onder een dicht bladerdak
Van donkre krullen,
Mij beschermend
Tegen het verzengende licht
Van armageddons vuur.
Gedichten over rampen
Een aardbeving, een overstroming, een vliegramp: als de wereld even stilstaat, zoeken mensen woorden. Deze gedichten over rampen proberen te vatten wat het nieuws alleen in beelden kan tonen.
Pandemie
De koning woonde in zijn paleis,
Had alleen via zijn maarschalk
Contact met volks wel en wee,
Kreeg zo weinig waarheid mee.
Tot op zekere dag de maarschalk
Op zijn dagelijks bezoek verscheen,
En tot de koning zei, de schatkist is leeg,
Hij over d'oorzaak wijselijk zweeg,
Wijl dβonderdanen waren niet meer,
Het land was leeg,
Waren allen vertrokken met βt veer,
Door een pandemie, over de Styx,
Die het ganse land velde,
Over d'herkomst ervan wist hij niks.
AAN MOBY DICK ONTSNAPT
De gehate Witte Potvis
laat het schip Pequod
van zijn belagers zinken
iedereen verdrinkt
alleen IsmaΓ«l redt zich
klimt in een drijvende doodkist
glijdt dagen en nachten
over slokgrage golven
niets dan zout water
mag hem tot voedsel dienen
haaien komen aangezwommen
hun bloeddorstige kaken
gaan begerend van elkaar
de ranke kist dreigt om te slaan
de schipbreukeling bewaart
bij zijn geweldige doodsangst
onblusbare vechtersaard
gestoken door moordend zonlicht
dan bekoeld onder
eindeloos sterrenrijk
gaat de man voort
geeft zich over aan afwachting
bolle zeilen en springend schuim
komen plotseling naderbij
doen het hart opspringen
van de uitgeputte strijder
die door het walvisschip Rachel
aan boord wordt gehesen.
MH17
Russische raketten
helpen soms te landen
enige vliegtuigen
uit de Nederlanden.
Liever een soa dan het coa
Liever m'n pik vol met bulten van de agressiefste soa
Dan die treinladingen asielzoekers van het coa.
Dans van de wind
De wind gaat liggen,
kruipt onder dakpannen
van het stenen huis
waarin hete lucht
gevangen zit
Bij openen van de deur
ontsnapt vloeiende ademtocht
verschroeit de aarde
kleurt de hemel zwart
De wind worstelt
onder zijn stenen deken
bevrijdt zich
en wervelt en stormt
Straten rijten open
Bossen splijten
Gebergten scheuren
ZeeΓ«n kolken hoog
Vallende schaduwen
De baksteen is koud als een uitgedoofd zwaard uit een haardvuur
Hij werd gebruikt om het vlammenspel
tot as en schaduw te vervagen
Vlammentongen likten aan het rieten dak
In de nacht is de ingestorte veilige haven
gehuld in een donkere, mistige sluier van nevel
Zodra de eerste lichtstralen hun weg tussen het gebladerte vinden,
glinstert de hoop zwartheid dof,
zoals roetdeeltjes als zwarte vlokken
door wervelende wind meegevoerd worden
Zwellingzuchtig getij
In 't schaduwrijk van de olijfboom glinstert 't regenwater van gisteren,
toen de hemel zijn vochtgordijn over 't veld uitspreidde
Tientallen zilveren stroompjes vloeiden uit 't woud 't weiland in
Grashalmen staken schroomvol nog net hun pluimen boven 't water uit
De kasteelheer staarde verontrustend uit zijn hoge, ivoren torenkamer en zag
't weiland vervormen in een pluimig meer
Wat moet hij doen als hij wil uitrijden om de jaarmarkt te bezoeken.
Zijn paarden staan al met hun hoeven in 't water
en steigeren wild in 't stijgende, zwellingzuchtige getij
Hoog in in de toren weergalmen stenen muren hun paniek
Hun angstig gehinnik weerkaatst door 't smalle gangenstelsel van de burcht
VURIGE OPSTAND
De dolle keizer Nero geeft opdracht
eigen stad Rome in brand te steken.
Mensen krioelen wanhopig, breken
hun huizen af, bestrijden de vuurmacht.
Rijken, bedelaars vluchten in eendracht
naar de stadsmuur, waarbuiten omstreken
heil beloven; gevecht doet hoop verbleken.
Plots voelen duizenden slaven wonderkracht.
Een lijfeigene grijpt naar speer of zwaard,
steekt zijn harde meester genadeloos neer.
Vrije roofmoord is meer dan alles waard.
De lang onderdrukte stelt zich te weer
tegen elk gezag van stedelijke aard.
Vol vreugde is hij niemands bezit meer!
[ Vissen en water- ]
Vissen en water-
vogels, algen in de vorm --
van standbeeldresten.
— Zyw Zywa
Tsunami
Ik ben boos op de zee
ze nam mijn vrienden mee,
genomen in haar duistere schoot,
ondanks de offers die ik haar dagelijks bood
Ik ben boos op de zee,
voel nu geen heimwee
Nooit zal ik meer rusten op haar stranden,
ga elders voor mijn geliefden offers branden
VUUR EN GRUIS
In Den Haag
wordt de schappelijke buurt
Mariahoeve wreed geraakt
door plotselinge brand
in een woongebouw
onder zwaar gedonder
storten muren in elkaar
tussen grauwe steenbrokken
laaien vlammen werend
verbergen hun slachtoffers
vallen rokend ineen
puinhopen gloeien halsstarrig
dagen elke hulp uit
onmenselijk zware arbeid
en moed die levensgevaar tart
mogen vele gewonden
redden en verzorgen
maar onnoemelijke spijt
zes zielen zijn opgevaren
naar de Hoge Wereld
gevluchte daders
verfoeilijk of te beklagen
hebt u kracht zich te melden
bij het gezag der steden?
Vurige verwoesting
Uit de diepte stijgen vurige rookpluimen op,
kleuren het wolkendek in rossige vuurzee,
omhullen de horizon met een vlammende deken van duisternis,
met silhouetten van verschroeide vogels, groot en klein
Nu is de aardse kloof verlaten
Metershoge wanden zilverachtig gladgestreken
Op de bodem een kolkende, vloeibare gloed,
hete ademstoten omhoog blazend
Rondom een landschap van asgrijs,
gehuld in een zinderende nevel,
waar geblakerde rotspunten oprijzen,
een plek, vol beloften van nieuw leven
Stervenszucht
Na de laatste regen is het land een platgeslagen oceaan
De straten, langzaam stromende rivieren,
op weg naar hun einde
Druipende bomen imiteren nieuwe regen
Gebogen gestalten, gehuld in plastic dekens,
zoeken een schuilplaats die onzichtbaar is geworden
Een langgerekte klaproos overziet het landschap,
verslagen en bloedrood vult hij zijn longen,
met de stervenszucht van de vlakte
Verwoestende vloed
Zwaar waterbeladen hemelzaden denderen diep de bodem in,
woelen weidegrond om, rukken wortels los,
breken de aardse ruggengraat, kneden moerassige modder
Een machtige, verwoestende vloed stort zich donderend daalwaarts,
bedelft boomstammen, verpulvert houten huizen,
verscheurt wandstenen woningen
Tussen scharende scheuren verzamelt zich huisraad,
dat uiteindelijk opgaat in een oneindige stroom van verbleekte lijken
Na elke grote ramp gebeurt hetzelfde: naast de hulpverlening komt er een stroom van taal op gang. Condoleanceregisters, stille tochten, spandoeken bij een rampplek: mensen hebben woorden nodig om ongeloof en verdriet ergens te laten. De gedichten op deze pagina zijn uit die behoefte geboren. Onze dichters schreven ze bij watersnood en aardbevingen, bij vliegrampen en explosies, bij het nieuws van gisteren en bij rampen die al decennia in het collectieve geheugen staan.
Wat een gedicht kan wat een nieuwsbericht niet kan: stilstaan. Niet de feiten nog eens herhalen, maar ruimte maken voor de vraag hoe het verder moet met wie achterblijft. Veel van deze teksten zijn dan ook geschreven vanuit meeleven op afstand, machteloosheid omgezet in aandacht. Ze worden gelezen en gedeeld bij herdenkingen, of jaren later, als een datum weer even alles terugbrengt.
Verwante woorden
Voor gedichten die direct op het nieuws reageren is er actualiteit en nieuws; over rampen die de mens zelf veroorzaakt aan klimaat en natuur lees je bij klimaat. En wie woorden zoekt om iemand overeind te houden, vindt ze bij troost en bemoediging. Heeft een gebeurtenis jou ooit naar de pen doen grijpen, deel je gedicht dan hier β meeleven mag ook in verzen.