Vertrouwd
Ik droomde dat zij mij droomde,
Ik was daar en zij hier,
Ze droeg mijn kleren,
Wat ik droeg weet ik niet meer.
We spraken over daar, over hier,
Over gisteren, vandaag,
Van morgen repten we niet,
Spraken over alledag.
Zij was mij glad vergeten,
Ik haar trouwens ook,
Leken wel twee vreemden,
Die elkaar vertelden
Over reizen naar vreemde verten,
En ook om de hoek,
Het was verrassend en vertrouwd,
Morgen zien we weer.
Mystieke gedichten
Mystieke gedichten bewegen zich op de grens van weten en vermoeden: het gevoel dat er méér is dan wat je ziet. Dichters schrijven hier over innerlijke stilte, visioenen, dromen en het onzegbare dat toch om woorden vraagt.
Begrensd
Ik sta met beide benen de grond.
Vóór mij is geen eind in zicht,
links en rechts gaan eindeloos
door en ook achter mij is
het einde niet in zicht,
als ik mijn blik omhoog richt,
zoek ik tevergeefs het verschiet,
vinden doe ik het niet.
Alleen de grond waarop ik sta
is begrensd en biedt houvast,
terwijl ik verder in duister tast.
Verheugd bedenk ik dan dat
mijn leefwereld grenzeloos is,
pas in de dood zal ik zijn begrensd,
zes besloten kanten in alle richtingen
zijn dan mijn nieuwe wereld.
Weg
De straatweg haast zich van mij heen,
ik zie in het verschiet waar ie verdween.
Ik vraag mij af, waarom die grote haast,
wat zou ’t zijn waarheen de weg raast.
Welk doel heeft de weg voorbij ’t verschiet,
ik peins, weeg en wik, maar weet het niet,
sta verwonderd te staren, zonder antwoord,
dat komt er niet, dat is wel wat mij stoort.
Ik keer om, plots d’weg terug van weggeweest,
is in razend tempo weerom terug gesjeesd.
Ik sta in opperste verwondering volkomen paf,
de weg is gewoon weer terug bij af.
Verwondering
Het is, als het is,
Valt alles op z’n plaats,
Tenzij het anders is,
Lijkt alles op z’n kop te staan.
Dan valt het niet te rijmen
Met je had verwacht,
Dan voel je tot in je tenen,
Diep gevoelde klacht.
Meestal gaat het goed,
Ervaar je geen kommer noch kwel,
Blijft het licht branden,
Maar soms, heel af en toe,
Zijn verwachtingen loos,
Sta je in verwonderende verwarring,
In het duister wijl 't is licht,
Wachtend tot ’t tij keert ten goede.
Werelden
Men zegt dat er nog werelden zijn
Een vlucht vogels terug uit het zuiden
Ze zingen de nieuwe tijding tegemoet
Vrijheid, lucht en wolken klinken
Deze wereld is niet de enige
Een colonne mieren naar boven
De berk leidt hen zonder vragen
Een stam effent het pad
Dit is één van vele werelden
De dolfijn doorklieft de golven
De albatros bewondert het schuim
Die oneindigheid komt van water
In deze wereld zitten verborgen deuren
Rondwaren is betekenis een plek geven
De levenden met oogkleppen op
Ze horen de doden niet
Beweging is worden
Dat is voor altijd
De laatste rechte lijn
Het deksel vindt de pot
Buitenlucht wordt herinnering
De inhoud ligt vast in de tijd
De laatste fase
Het boek op weg naar de lezer
Een verhaal in papier gebeiteld
De boom vindt rust
Het eindspel is ingezet
Waarheid ontdoet zich van leugen
De vlucht wordt afgebroken
Zonder masker lucht op
Finale in zicht
Stofkleed wordt opgeborgen
De aarde neem in ontvangst
Overal licht — richting maakt niet uit
—
Voltooiing
Gedroogde Bloemtoppen
De deur begroette me
Haar klink voelde warm
Toen ze me uitzicht gaf
Op wat buiten heette
Gras zong in koor
Onverstaanbaar maar lief
Bomen bewogen hun takken
Allemaal wijzend naar mij
Een vogel in scheervlucht
Een bij die rond mij bleef hangen
Een hond die stopte met blaffen
Een molshoop in de vorm van mijn naam
Wolken schoven opzij
Licht en warmte vonden mij
Mijn rug mocht als eerste
In mijn hoofd zong geluk
Een bankje wenkte me
Wees naar de schoonheid van deze plek
Ik wilde echter weten waar de horizon was
Gedroogde bloemtoppen zijn niet voor altijd
Voorbij deze wereld
Is er een wereld binnenin
Met een andere zon
Verstrooiing voelt anders
Voorbij deze wereld
Wat ogen niet vangen
En ze je niet vertellen
Daar is geen tijd
Voorbij deze wereld
Stilte laat zich horen
Manieren in overvloed
Uitzoeken biedt inzicht
Voorbij deze wereld
Niets is onmogelijk
Leven tot het uiterste
Is vanzelf loslaten
De Val van mijn Gedachten
Op een bankje
Met gedachten die mij
Gezelschap houden
Ik ben goed omringd
Op een bankje
Met gedachten die door mij heengaan
Ik klamp er enkele aan
Ze zijn mij een uitleg verschuldigd
Op een bankje
Met gedachten die nooit stil zijn
Ik gebaar ze om te zwijgen
Een veldslag van lawaai laat sporen na
Op een bankje
Een gedachte neemt als enige het woord
Deze is de brug naar mijn wereld
Zonder ben ik dood
Op een bankje
Gedachten zijn niet van mij
Het is koffiedik kijken
Hoe ze zullen reageren
Op een bankje in het park
De wind weeft verhalen in mijn haren
De wind neemt deze met zich mee
Waarheen — dat houdt gedachten bezig
Ik ben zonder gedachten
Niets herinnert nog aan hen
Hun sporen zijn uitgewist
Er is niets meer
Terugweg
Ik lig in bed, ik waak,
Wijl de regen
houdt mij uit mijn slaap.
Ik tel de druppels,
één voor één.
Denk aan. mijn moeder,
hoe zij mij in haar voedde,
tot wat ik nu ben, in bed.
De regen verstoort mijn rust,
ik kruip onder het laken
terug in moeder schoot,
keer terug in mijn embryo.
Afwezig
Sterven is gewoon
Alles kent zijn verloop
Alles heeft zijn tijd
Er is denken aan voorafgegaan
Er zijn woorden voor opgeofferd
Een hart werd in de watten gelegd
Er werden beloftes aan de ziel gedaan
Niemand gaf thuis
Sterren haal je niet naar beneden
Dan komt de zon in opstand
De horizon breng je niet dichterbij
Hemel en aarde protesteren
Water valt niet te drogen
Zo roept de handdoek luidop
Het einde blijft overeind
Die basis valt niet te ontkennen
Het is een groot vraagteken
Daarna mag je zelf invullen
Ondeelbaar sluit al de rest uit
Niemand daar
Onbegonnen werk
Ik voel de druk, die's zo te zwaar,
dat gevoel voelt zeer naar.
Ik wil de wereld wegtillen,
lukt me niet, al zou ‘k dat willen.
De einder kan ik niet bereiken,
die blijft maar van mij wijke
hoe snel ik ook ga, ’t maakt niet
uit, d'einder blijft in’t verschiet.
Achter d’verre horizon ligt de schat,
waar ‘k al lang m’n oog op had,
die verloren, zo zeer begeerde
schat, die 'k al zo lang ontbeerde.
Mijn queeste bleek onbegonnen werk,
Wijl ik ben niet als Hercules erg sterk
Voor wie d'Augiusstal, hoe goed ook bedoeld,
Ook op ’n Sisyphustaak bleek gestoeld.
Een Oog laat zich niet Leiden
Woorden dwarrelen neer
Vanuit het niets is landing een avontuur
Het verstand trekt het laken naar zich toe
‘Hier kan ik iets mee’, en zinnen volgen
De witte leegte is door zwart ingenomen
Woorden op zoek naar het juiste moment
Afdalen is altijd een vraagteken
Het hart zwanger van verwachtingen
Geladen woorden aan het werk
Schoonheid geconcentreerd op papier
Woorden kunnen de lokroep niet weerstaan
Beneden ontspint zich een wereld
De ziel heeft uitzicht op eindeloosheid
Woorden zijn door haar bestoven
Versvorm met een snuifje eeuwigheid
Puurheid vanuit een oneindige diepte
Die zich in het heden vastankert
Iedereen smeekt om papier te zijn
Een oog is de uitverkorene
Woorden die beklijven
Daar raakt het niet op uitgekeken
Stromen is Vloeien
Een rivier vraagt geen toestemming
Stromen is nemen zonder te vragen
Die woorden bestaan gewoon niet
Een vallei duldt de rivier
De buitenbocht is geen voorstander
De binnenbocht is een vriend
Water is de aankondiger van groen
Een euforie die tot laat in de zomer nazindert
Deze godin wordt op handen gedragen
Leven volgt het spoor van water
Het wordt overal herkend
Een vruchtbare bodem is zijn nalatenschap
Bergtoppen vallen op door hun zwijgzaamheid
In hun schoot gedijt de vallei
Als een kind wiegen ze deze in slaap
De nacht is zwanger van de winter
Sneeuw en vrieskou smeden plannen
Ooit worden deze bewaarheid
De tijd deelt zich op
Verdwijnen is de horizon opzoeken
En genoeg achterlaten voor een nieuwe start
Er waart een spiegel op het water
Een blik is een confrontatie
Inzicht was altijd al voorhanden
Beneden Onverschilligheid
In een straatbeeld valt alleen maar drukte op
Papier met letters op de dool
Wind is de aanjager die woorden optilt
De baan die wordt beschreven
Onverschilligheid maakt zich bekend
Wind deelt geen geheimen
Daar is nieuwsgierigheid voor nodig
Gedrang brengt lawaai met zich mee
Waar woorden worden gesmoord
Papier was al op voorhand verloren
Wind voert omhoog en vervolgens weg
Woorden beleven de tijd van hun leven
Op papier gezeten wordt lucht verkend
De cirkels laten geen sporen na
Er wordt niet omhoog gekeken
Beneden voltrekt zich de actie
Taal dwingt hen in de pas te lopen
Over de lucht kunnen ze alleen maar dromen
Om een papiertje wordt niet gemaald
De woorden zijn oud nieuws
Nieuwe berichtgeving is in de maak
Want de wereld draait liever door
Vluchtigheid trekt graag het laken naar zich toe
En duldt niemand in haar buurt
Alsook aan de hemel
Daar blaast dezelfde wind
Zou daar iemand zijn om die woorden te lezen?
Mystiek laat zich slecht samenvatten, en misschien is dat precies waarom er zo veel over gedicht wordt. Waar gewone taal ophoudt, begint poëzie: in beelden, in tegenspraken, in regels die je twee keer moet lezen omdat ze meer zeggen dan er staat. De mystieke gedichten op deze pagina zijn stuk voor stuk pogingen om iets ongrijpbaars even vast te houden: een moment van eenheid, een innerlijk licht, een aanwezigheid zonder naam.
Lezers komen hier om verschillende redenen. De een zoekt verdieping bij meditatie of gebed, de ander herkent er een ervaring in die zich nooit liet uitleggen, een derde leest deze gedichten simpelweg als de mooiste vorm van verwondering. Omdat elk gedicht hier door een lid zelf geschreven is, proef je telkens een andere weg naar hetzelfde geheim.
Aangrenzende paden
Wie zich thuis voelt in deze sfeer, vindt vaak ook iets bij de spirituele gedichten of de meer beschouwende filosofische gedichten. En omdat het onbewuste graag ’s nachts spreekt, liggen de gedichten over dromen dichterbij dan je denkt. Heb jij zelf zo’n onzegbaar moment in regels gevangen? Vertrouw het toe aan deze pagina’s. Juist hier wordt het verstaan.