WITE MAR
Het meertje in de bossen bij Beetsterzwaag
ademt volk heidelucht en moerasgeuren.
Zijn groenig water heeft ijle deuren
naar schone wereld met blijvende vraag.
Wentelingen gaan razend snel, dan weer traag,
willen het stille bestaan opbeuren,
dat wellicht in 't verborgene zal treuren
om zorg en onzekerheid van vandaag.
Vloeiend verdwijnt warme schittering.
Kikkers en salamanders laten hun strijd,
zoeken een modderbed voor overwintering.
Het verharde ven is tot dragen bereid.
IJzers krassen bij voortgaan en draaiingen.
Vreugde op de ruime ijsbaan galmt wijd.
Locaties & plekken
Het bankje met uitzicht, de zolder van vroeger, de akker achter het huis. Deze gedichten over locaties en plekken eren de plekken zonder plaatsnaambordje: van het boerenleven op het platteland tot dat ene stille hoekje dat alleen jij kent.
BERGVERZOEK
In het grote Alpenrijk
klimmen _ steeds hoger
door wouden en bloemenweiden
de sneeuwtop wenkt uitdagend
snel hierheen komen
ondanks alle moeite
maar daaronder vraagt een bergkom
hier lange tijd te blijven
aan de rots- en grashellingen
klinkt een eeuwige stem
waarin luid gedaver
en fluistering samenspelen
weergaloos _ voor niets
onsterfelijk concert geven
van een kring stortbeekjes.
SCHIJN EN AANPLANT
Een jonge vinger met bedaagde smaak
zweeft vol ingetoomde drift over Drachten,
daalt tenslotte, blijft lange tijd wachten
in Van Haersmapark, broedt rustig op zijn taak.
Diens top draait rond, aarzelt wat _ en wijst raak:
"Van die rode beuk mag ik wat verwachten;
vele bomen verliezen hun krachten,
moeten wijken voor zonnestraalvermaak."
Nieuw warmtelicht laat struiken, zwaar van bloemen,
hier wonen en vrolijke schittering
in de verruimde vijver opdoemen.
Wandelaars genieten van verandering
bij 't aanzien van perk en uitzicht, roemen
de oude kunst van tuinbewerking.
Yorkshire
Op werkbezoek het landschap
monsteren, over paadjes
langs het bruin bruisende
water van de bergbeek
met waterspreeuwen en libellen
over gras vol vingerhoedskruid
tussen grote blokken graniet
en ergens daarachter af en toe
het blaten van een schaap
voorbij een drassig veld
met plonsfonteintjes
van rondspringende kikkers
en onder de waterval door
die opspat in een donker
wervelende poel
een grot bereiken
waar de bodem bemost
en de lucht kil is
en de wanden oplichten
in een patroon van wit
opvlammende flitsen
Daar verdiept raken
in de schemerige, toch witte, leegte
en dieper ademen
— Zyw Zywa
Verwondering Vooraan
Mijn blik golft tot aan de horizon
Groene schakeringen zover het oog reikt
Een paradijs als de hemel blauw doorlaat
Die mooie kiekjes zijn voor later
De nacht is de enige die ik vertrouw
Sterren verzachten het donker
Ik verdenk mijn hoofd van wegdromen
Mijn lichaam zit vast aan deze plek
Ik kijk liever naar de verte
Achter mij wil ik snel vergeten
Het strookt niet met wat ik bewonder
Veldgrijs is hoe ze naar mij kijken
Ik ben niet doof noch ben ik blind
Er zit een muur rondom mij
Kijkgaten — geluid vindt vlot ingang
Mijn netvlies kan de schouwen niet aan
—
Mijn neus is murw geslagen
BUITENSTVALLAAT
De haven aan de westzij van Drachten
houdt strenge tucht, geeft geborgenheid
aan wie tot vast of wild varen zijn bereid
met hun stoere zeilboten en jachten.
Het wijde Friese water roept gedachten
naar verte of ronddraaien in nabijheid.
Tevens zetelt hier bezadigde tijd
vol zwoeglustige, honkvaste krachten.
Trotse boerderijen werken voldaan,
omgeven door geurige weilanden,
wier arbeidsstemmen nooit zullen vergaan.
Het malse grasveld laat buiten zijn randen
knoestige bomen en woeste struiken staan,
die het hart der wildernis doen branden.
PARK OLTERTERP
Een behakte beukenstobbe met ogen
der schouwende wijsheid, spreekt zelfbewust
tot zijn rechte soortgenoten vol lust
om hun stam en aanzien te verhogen.
De strenge, toch minzame bomen mogen
waken over komst, zorg en groeirust
van nieuwe rododendronstruiken, gekust
door pracht, welke heel de tuin wil zogen.
Opengekrabde aarde in perken
en rondom vijvers wacht op verrassing,
die zij in zich bewaart, weldra zal sterken.
Zachtzinnig wenkt geurige ontluiking
rappe pootjes en luchtige vlerken:
steeds blijft nietig, wild leven hier hoveling.
Landelijk tafereel
Aan de einder draaien wieken,
Torens spitsen recht omhoog,
Rijen wilgen en populieren
Perspectieven ’t weidse land,
De rug krom gebogen leunend
Op een stok, staart d’oude
Naar verten achter d‘horizon.
De zon brandt in het zenith,
’n Leeuwerik zingt hemelhoog,
Koeien loeien, schapen blaten,
Kikkers kwaken in het kroos,
Dat d’eenden gulzig grazen,
Omkranst door gele dotters
En lissen tussen els en riet,
Muggen dansen, zwaluwen
Doorkruisen d’muggenwolken
Schietend van links naar rechts.
Donkre wolken komen nader,
Donder en bliksem rondom,
Stilte is doorbroken, ’t tafereel
Uit zicht, achter regenscherm.
TOEKOMSTINKEER
In Drachtens Van Haersmapark
zuchten hoge loofbomen
over wat hun misschien wacht
zullen vele van ons weldra
gekapt of gerooid worden?
moet dan een grote plaats
voor motorvoertuigen
het perk en grasveld verwoesten?
door de wijde tuin waaien
zachte luchtstromen vol weemoed
wegens het verdwijnen
van steenwerk der herinnering
aan gesneuvelde helden
en omgekomen Joden
in oorlogstijd
heel wat gezonde parkreuzen
behouden het leven
in de vijver wordt gegraven
ruimer water geeft de eenden
een begeerlijk jachtgebied
bij de parmantige State
mogen wagens na het rijden
rusten van hun ronken
zullen geen welzijn storen van
de hof aan de Stationsweg
die een lustoord wil blijven.
GROEIT BREDA 'S GROEN?
Ergens aan de singels
ligt een omheind veld
waarin verstild verzonken
velerlei klanken schuilen
zuchten van hen die voor
het leger werden gekeurd
kreten van de krijgsoefening
enige bomen kijken
tevreden neer op
de geschoren bruine grond
die wacht op inzaaien
en spoedige beplanting
rijen bloemen langs het hek
laten al hun kleuren
vrolijk wiegen in de zefier
bemoedigen het werk
van de nabije toekomst
dat hier een park wil scheppen.
Nacht in het park
'Hij spelt de krant, 's nachts
onder een lantarenpaal in het park'
zeg ik tegen mezelf
over mezelf
'Ik lees de krant', zei ik
ook tegen de agenten
in hun auto, al luister ik meer
naar het geritsel en de geluiden
uit de stad, de berichten
zijn zo interessant niet
Ja, hier zit ik beter
— Zyw Zywa
[ In de holle boom ]
In de holle boom
tussen de cactussen woont --
een groot mannenhoofd.
— Zyw Zywa
LUCHTREIS
Edel en statig landgoed
rondom het herenhuis
heeft de adellijke aard
van een eeuwenoud park
zeer kunstig aangelegd
hier weeft jonge wildernis
zich langzaamaan vrijuit
onbelemmerd doorheen
het luchtige warrige bos
blaast zijn helende adem
kwistig over de drukke weg
een gezellig spijshuis binnen
waar
keukengerei fraaie potjes
en bussen vol lekkernij
uit vroeger burgerleven
zich stil verkwikkend tonen
bij smullen en kijkgenot.
WILDGROEI EN BOUW
Over het fietspad blaast een oude eik
nieuwe bladerlucht, toont trots de zwarte spleet
binnen zijn kruin en voet: felle bliksem streed
met de sterke stam; snel nam het vuur de wijk.
Als onkreukbare vorst schouwt hij langs de dijk
aan rivier de Mark, is voortdurend gereed
tot waken bij spel van vreugde en leed
in zijn klein, beschermd, niettemin ruim rijk.
De boomkroon verspreidt moed voor het leven
in ruig struweel, op moeras, waar nesten
van bos- en waterdier hun zorg geven.
De dwergrimboe werkt samen met bemesten
van omringend boerenland, zal steeds streven
naar jonge adem van Breda 's noordwesten.
Asfalt ten voeten uit
Asfalt brengt huizen tot elkaar
Het draagt rubber en voetzolen
Hard is het ten voeten uit
Het jaagt water naar riolen en beken
Asfalt is de koning van de weg
De rest zijn onderdanen
Zonder rijdt de auto zich vast
De fietser wordt voetganger
Asfalt steekt groen naar de kroon
Het wegdek ligt overhoop met het uitspansel
Kasseien zijn een herinnering
Over zand geen woord
Asfalt heerst als een despoot
Breekt levens af
De kat breed uitgesmeerd
Een veer van een vogel
Over asfalt wordt gezwegen
Het wordt genomen
De belangrijkste plekken van een leven staan zelden op een landkaart. Het zijn de schuur waar het naar hout en olie rook, de keuken van een grootmoeder, het strandje van elke zomervakantie, het erf waar het boerenleven zijn eigen ritme dicteert. De dichters in dit thema begrijpen dat plekken personages zijn: ze vormen je, bewaren je herinneringen en veranderen sneller dan je lief is. Vooral het verdwijnende platteland wordt hier liefdevol vastgelegd: gedichten over het boerenleven, over stallen en oogst, over een wereld die op de tast verdwijnt.
Draagt de plek wél een naam (een stad, een eiland, een land), dan vind je haar bij de gedichten over landen en steden. Ligt de plek vooral in het verleden, dan overlappen deze verzen met herinneringen en vroeger. En één plek is zo geliefd dat ze een eigen thema kreeg: de gedichten over de zee.
Vierhonderd plekken zijn hier al vereeuwigd voordat de tijd ze kon overschilderen. Welke plek moet bewaard blijven zoals jij haar kent? Leg haar vast in een gedicht, dan bestaat ze voor altijd.