Nare ontmoeting
Ik keek op,
Zij hield stop,
Keek op mij neer,
Mijn hart ging tekeer,
Haar neus rees omhoog,
Duidelijk ze er niet om loog,
Ik wist meteen waar ik stond,
Zonder gebruik van d'r mond.
Ik keek bedeesd naar omlaag,
Weggedoken in mijn kraag,
Trillend als’ n espenblad,
Heel erg naar was dat,
'k Zeeg voor d ‘r neer,
Zeker twintig keer,
Toen stond ik paf,
Weer terug bij af.
Gedichten over lijden
Pijn die blijft, lasten die gedragen moeten worden. Deze gedichten over lijden geven woorden aan wat zwaar is: lichamelijke pijn, zielenpijn en het stille volhouden dat daarbij hoort.
Ontbrak
Gekluisterd aan haar bed,
Zag zij al ’t gedartel en gejoel,
Van kindren, honden en katten,
Alleen het geluid ontbrak.
Buiten was ze nooit geweest,
Wist wel wat ze mist,
Een solutie niet voorhanden,
Lebensraum ontbrak.
Pijn had ze niet, nooit gehad,
Vreugde evenmin,
Spelen met kindren niet gegund,
Het kind zijn ontbrak.
Huidzorg
Een blik in de spiegel
Een oneffenheid ontsiert
Humeur onderuit
Een nacht was genoeg
Plannen voor vanavond
Iemand vindt me leuk
Mijn pak is al beneden
Gezicht wil niet mee
Twee wijsvingers
Claimen de oplossing
De huid protesteert
Uitknijpen is geen plezier
Pus ziet het levenslicht
De spiegel toont het slagveld
Een zwelling straalt pijn
De date is verpleegster
Dag van het water
Slechts op deze dag
mogen de lamlendigen
water scheppen uit de rivier
Alle andere dagen ligt de rivier
droog
en vechten schaduwen van baljuws
op de kasteeltoren
over de rivierbodem
Dan trekken de lamlendigen verder
naar het modderige meer,
voorbij de omgewaaide kastanjes,
daar staan ze tot hun knieën in het water
en wachten
tot het verdampt
De baljuws achtervolgen hen
op manke paarden,
maar die springen niet
over de omgewaaide bomen
dus wachten zij
tot het water
de lamlendigen verlaat
Onmogelijke taak
Zijn inspanningen waren groot,
Zijn nood
Die uit zijn hart ontsproot,
Was hoog.
Hij ging tot aan de rand,
Was toen geheel en al opgebrand.
Ondanks verzet met hand en tand,
Verloor hij zijn verstand.
Hij kwijnt nu weg in ’n gesticht,
Waar niets hem tot iets verplicht,
Zich onbewust er is aangericht,
Vroeger is bij hem gans uit zicht.
Te laat
De mist in zijn hoofd
Verhinderde zijn helder zicht
Op ’t gevaar dat gericht
Loerde op het hem beloofde.
Voor hij besefte wat hem overkwam,
Sloeg het gevaar zijn slag,
Hij wist meteen dit is d’laatste dag
Ik haar het nog zeggen kan.
Edoch het was al te laat,
De tijd hem restte was veel te kort,
Noodlot lag al op z’n bord,
’t Gevaar handelde zeer adequaat.
Zij zal nu nooit vernemen
Wat hij haar nog te zeggen had,
Blijft eeuwig ’n leeg blad,
Het nare gevolg van zijn temen.
Landmans lot
Langs holle wegen voert het pad
Van de landman met zijn knapzak
Op zijn rug en zijn stok in de hand,
Dwalend door het ganse land
Op zoek naar werk en wat kost,
Liefst daarbij iets voor de dorst
En andere geneugten men biedt.
Nochtans valt hij veelal op z’n bek,
In ’n landloper heeft men geen trek.
Zo blijft honger en dorst kwellen,
Slaapt hij meest in doge greppels,
Onder bescherming van een els,
Of somtijds een wilg of niets dan
De sterrenhemel boven zich.
Totdat hij niet meer wakker wordt,
Hij door dorst en honger is geveld.
LATE LAST
Ruggen van bejaarde mensen
die hun leven lang
gebukt werkten
tussen bloemen of groenten
dubben over het heden
betreuren hun verleden
de knieën van
onze eigenaars hadden
zich meer mogen buigen
dan wij minder smart gehad
op onze oude dag
hebben we al pijn
bij een beetje krommen
moeten haast dagelijks
gewreven geknepen worden
bovendien ingesmeerd
met een stinkend goedje
uit wervels en rugspieren
klinkt een klaaglied waarin
tegelijk lof zingt
van zwoegen en overgave
aan gewas voor voeding of dier.
Zware last
De last op zijn schouders
Torst hij gelijk zijn bezwaarde ego,
Op zijn levenspad,
Vol kuilen en obstakels,
Naar ’t eind in ver verschiet,
Waar alles verdwijnt In eeuwig niets.
De last is zwaar,
De weg lang en zwaar,
Keulen, Rome, Mekka en Isfahan
Reeds lang voorbij,
Vrees hij ’t eind niet haalt.
ERIN GETRAPT
effe niet opgelet bij een stap
en zo’n meedogenloze trap
geeft je zó de laatste zet
en zit helemaal niet met
je gestuiter en de klap
— SJ©RS
Onbegonnen werk
Ik voel de druk, die's zo te zwaar,
dat gevoel voelt zeer naar.
Ik wil de wereld wegtillen,
lukt me niet, al zou ‘k dat willen.
De einder kan ik niet bereiken,
die blijft maar van mij wijken,
hoe snel ik ook ga, ’t maakt niet
uit, d'einder blijft in’t verschiet.
Achter d’verre horizon ligt de schat,
waar ‘k al lang m’n oog op had,
die verloren, zo zeer begeerde
schat, die 'k al zo lang ontbeerde.
Mijn queeste bleek onbegonnen werk,
Wijl ik niet ben als Hercules erg sterk,
Voor wie d'Augiusstal, hoe goed ook bedoeld,
Ook op ’n Sisyphustaak bleek gestoeld.
Verstoppen
Je zegt het niet, maar ik hoor je wel.
Dit is iets wat ik jou niet vertel.
De leegtes die je open laat.
Dat is iets wat mij niet ontgaat.
De bewoording die je te voorzichtig kiest.
Het is alsof onze genegenheid zijn kracht verliest.
Je hebt mij tot op het bot gekrenkt.
Al is er niemand die jou ervan verdenkt.
Je zult dit niet weten, zien of voelen.
Ik wou dat ik dit gevoel van mij kon afspoelen.
Heb mijn ogen er te vaak voor gesloten.
Ik vrees dat het kruid al lang geleden is verschoten.
— L.J.
piep
Af en toe dwaal ik in mijn gedachten verder door,
totdat ik even helemaal niets hoor.
Alsof de piep in mijn oren een schuilplekje gevonden heeft,
de piep die stiekem altijd aan mijn gedachten kleeft.
De ruis van het geluid dat een tijdje voor het filter blijft hangen
en je even niet je best moet doen om de trillingen niet op te vangen.
Even zolang tot je vergeet dat je niet over niets nadenken kunt,
je de gedachten tot in het kleinste puntje verdunt.
Niet wetend dat je alles om je heen op het moment niet opslaat
en de piep voor nu niet bestaat.
— juanita
Ten langen leste
Zij hunkerde naar liefde,
De liefde zij nooit vond.
Ze trouwde zeven malen,
De laatste was echt balen.
Bij geen van allen was er ene,
Zij de ware liefde vond.
Zij woont nu in ’n begijnhof,
Waar zij eenzaam vegeteert,
Toen ik haar daar vond.
Ze was nog steeds verlangend
Naar de liefde zij nooit vond.
Ik heb haar die gegeven,
Waarmee zij zich hervond,
Opbloeide gelijk een roosje,
Na droogte in d’regen stond.
Zij is nu gelukkig en tevreê,
Vergeten zijn al die lege jaren,
Bloeit nu in nieuw hier en nu,
Geniet met volle teugen
Van haar opgebloeide leven,
Ze slaapt nu toute nue.
Sterk tot het breekt
Sommige mensen begrijpen niet
dat zelfs de sterksten kunnen bezwijken.
Niet omdat ze zwak zijn,
maar omdat ze te lang sterk moesten blijven.
Jarenlang dragen,
zonder pauze, zonder vreugde,
zonder iemand die zei:
nu mag jij even rusten.
Sterk zijn wordt dan geen keuze meer,
maar een overlevingsstand.
Tot het lichaam en de geest
zeggen: het gaat niet meer.
En dan breekt iets.
Niet uit zwakte,
maar uit uitputting.
Van rots naar scherven—
is dat fout?
Nee toch?
Wanneer iemand diep zinkt,
zo diep dat alles te zwaar wordt,
dat zelfs zorgen voor jezelf
onbereikbaar lijkt,
zeggen mensen:
die zoekt aandacht,
die is lui.
Hoe kan je zo spreken
als je nooit daar bent geweest?
Als je nooit wakker werd
met een hoofd dat brandt
en een lichaam dat leeg is?
Ja, er is verdriet dat komt en gaat,
een verlies dat pijn doet
maar kan genezen.
Dat bestaat.
Maar er is ook pijn
die zich opstapelt,
jaar na jaar,
zonder ademruimte,
zonder einde.
Een leven waarin je nooit leefde,
maar telkens weer overleefde.
Dat is iets anders.
Dat snijdt dieper.
Voor wie gezond is
klinkt het vreemd:
Hoe kan je jezelf niet verzorgen?
Maar geloof me—
in een zware depressie
ben je niet alleen mentaal kapot,
maar ook fysiek leeg.
Elke beweging weegt tonnen,
elke dag is een berg.
En toch blijf je hier.
Adem na adem.
Dat is geen luiheid.
Dat is vechten
met de laatste krachten
die je nog hebt.
— Majka
Lijden is van alle tijden, maar erover praten blijft moeilijk; de omgeving wil graag dat het weer goed gaat, en de lijdende mens wil niemand tot last zijn. Een gedicht doorbreekt die stilte. De dichters hier schrijven over chronische pijn en slepende ziekte, over geestelijke nood, over het lijden aan het leven zelf, en over de vreemde waardigheid die in dat alles kan schuilen. Deze verzen troosten niet door het lijden weg te poetsen, maar door het serieus te nemen.
Wie deze bladzijden leest, zoekt vaak herkenning voor zichzelf of begrip voor een ander. Aangrenzende thema’s kunnen daarbij helpen: bij ziekte staat het lichamelijke lijden centraal, bij verdriet de emotionele pijn. En wie na het donker toch een hand zoekt om vast te pakken, vindt die bij troost en bemoediging en bij de gedichten over hoop.
Bijna vierhonderd dichters legden hun last even neer door hem op te schrijven. Als jij iets draagt dat te zwaar wordt voor stilte, mag het hier in woorden. Gedeeld dragen draagt lichter.