Soms denk ik terug aan de 1e keer dat ik de motor startte,
De kou op mijn wangen voelde,
De weg nog donkerder,
Maar vol beloften.
Ik hoorde het zachte trillen van de vrachtwagen en dacht: dit is mijn leven.
Sterk, vrij, echt.
Daar tussen pallets en parkeerplaatsen,
Vond ik rust in die beweging.
Bij Bentvelzen/ lidl vond ik meer dan werk,
Ik vond eindelijk een thuis.
Mensen die naam kenden,
Die lachten als ik binnen reed,
Die zagen wie ik was,
Niet ziek, niet beperkt, maar gewoon ik.
Ik hoorde ergens bij. Eindelijk.
Maar mijn lichaam wilt niet meer,
Wat mijn hart nog wel wilt,
De pijn trekt door mijn armen,
Als herinnering dat ik niet kan loslaten.
En dat doet pijn,
Niet alleen in mijn polsen,
Maar in wie ik ben,
Ik wil niet stoppen.
Ik wil de weg nog voelen,
De gesprekken met de klanten,
De geur van het werk,
Van nut, van trots.
Maar mijn lichaam fluistert steeds,
Harder dat ik niet meer kan,
En ik kan alleen maar luisteren,
Met tranen die ik probeer te verbergen.
Ze zeggen steeds: vraag hulp, verander, dit sloopt je polsen,
Maar ze weten niet hoeveel ik hier van mezelf heb achter gelaten,
Ik laat niet zomaar alles los,
Ik laat een deel van mij los.
Acceptatie klinkt als vrede,
Maar het voelt als afscheid van een leven wat ik lief heb,
Toch weet ik, dat ik niet alleen verlies,
Ik heb iets gehad waar ik zolang naar verlangde,
Een plek waar ik mijzelf mocht zijn.
Ik voelde mij eindelijk echt thuis.
En als er een dag komt dat ik de sleutel neer moet leggen,
Dan is dat niet omdat ik dat niet wil,
Maar omdat mijn lichaam ertoe dwingt.
Mijn hart zal altijd nog 1 rit willen,
Nog 1 klant willen groeten,
Nog 1 dag gewoon ik willen zijn.
Maar ik moet leren buigen,
Waar ik niet meer kan dragen,
En dat breekt me.
Maar in dat breken zit ook iets zachts,
Iets dat lijkt op liefde en passie.
Ik mag huilen, moe zijn, leeg voelen,
Maar ik mag ook hopen,
Want in dit stille verdriet,
Komt het ooit weer goed, hoop ik?
Toon meer