Omgekeerde tijd
Toen ik groot was
klom ik tegen de gevels
van mijn huis in wording
Ik wandelde over bospaden
met in de berm
overhangende distels
Eens stak ik een brug over
in de schaduw
van de leuning
Toen ik klein was
tuurde ik tussen de spijlen
naar de bloemetjes op het zeil
Elke zaterdagavond
zat ik met blote billen
op het granieten aanrecht,
mijn voeten in een teiltje lauw water
Door de week
fietste ik op mijn verfafgebladderde fietsje
met slappe handremmen