Wat zij braken, draag ik nog
Ik was nog maar vierToen stilte leerde schreeuwen
Een ziekenhuis dat mijn jeugd opslokte
Terwijl niemand zag
Dat ik daar ook stond.
Zes jaar,
En mijn lichaam werkte al anders, trager,
Alsof zelfs mijn eigen binnenkant
Niet mee wilde rennen
Met een wereld die nooit wachtte.
Zeven,
En iedereen verdween.
Niet omdat ik losliet
Maar omdat ik werd achter gelaten
In kamers zonder uitleg.
Acht jaar oud,
En blauwe zwaailichten op de stoep,
Ik wilde alleen een ijsje eten met mijn vader
Omdat ik jarig was,
Maar mijn moeder die mij gebruikte als bewijs.
Negen,
Een bed dat niet van mij was,
Muren die mijn naam niet kenden,
Ik leerde dat "even"
Soms eindeloos kan duren.
Tien,
Woorden die snijden zonder handen:
" Te dik", " niet goed genoeg",
En handen die wel slaan
Alsof ik iets was om te breken.
Ik sliep met schaamte,
Zonder bescherming, zonder warmte,
Alsof mijn fouten groter waren
Dan mijn leeftijd ooit kon dragen.
Elf, twaalf, dertien,
Verhuizen werd mijn achternaam,
Beloftes werden leugens
In een andere verpakking.
Viertien,
Pijn kreeg gezichten,
En mensen die moesten beschermen
Werden degene
Waar ik bang voor was.
Vijftien en een half,
Ik leerde mijn zus net kennen
En toen nam de dood haar mee,
Alsof zelfs liefde
Mij niet mocht blijven.
Zestien,
Regels die verschoven
Zodra ik erin geloofde,
Alsof hoop een fout was
Die bestraft moest worden.
Begeleider die mij elke keer sloeg
Alsof mijn fouten meer waren
Dan waar mijn hart naar verlangde.
Alles waar ik naar verlangde
Werd mij afgenomen.
Door pleeggezin
Door begeleiders
Door jeugdzorg.
Jeugdzorg die geen verantwoordig nam
Doordat ik zoveel werd geslagen
Alsof mijn fouten meer waren
Dan dat hun mij wilde helpen.
Zeventien en een half,
Eindelijk de rechtzaak gewonnen
Maar wat kapot is gemaakt
Heeft geen sleutel
Om zomaar weer open te gaan.
Twintig,
Ik liep weg van alles wat "thuis" heette
En vond mijzelf
Tussen mensen zonder plek,
Alsof dat eindelijk klopte.
Eenentwintig,
Liefde vond me,
Maar sloeg mij elke dag weer neer,
Alsof mijn hart alleen maar bestond
Om opnieuw getest te worden.
Drieëntwintig,
Ik wilde verdwijnen,
Maar zelfs toen
Moest ik blijven
Voor mijn eigen veiligheid.
En toen de waarheid kwam,
Dat alles gebouwd was op leugens,
Voelde de grond onder mij
Als iets wat nooit echt van mij was geweest.
Maar ergens
Tussen puin en pijn,
Leerde ik praten,
Leerde ik staan,
Leerde ik, dat ik meer ben
Dan wat mij is aangedaan.
Zesentwintig,
Ik reed vooruit, letterlijk,
Kilometers, weg van alles,
Wat mij klein probeerde te houden.
Drieëndertig,
Mijn broer die overleed
Heeft mij geleerd
Ondanks zijn verstandelijke beperking
Dat er mensen bestaan
Die nog wel te vertrouwen zijn.
Zesendertig,
En toch....
Elke instantie, elke belofte,
Fluistert hetzelfde einde:
"Wij weten het beter"
Terwijl ze niet eens luisteren.
Ik gaf nog één kans
Echt waar.
Omdat een deel van mij
Nog steeds wilde geloven
Dat ergens iemand zou blijven.
Maar ook hier
Breekt vertrouwen weer
Niet met lawaai,
Maar met stilte
En het negeren van mijn stem.
En dus sta ik hier
Niet heel,
Niet ongebroken,
Maar nog steeds staand.
Want wat zij kapot maakten
Heb ik gedragen.
Wat zij niet zagen
Ben ik geworden.
En ergens, diep van binnen,
Ondanks alles
Ben ik er nog
Dragonwarrior — dichters.nl/emoties-en-gevoelens/14878633-wat-zij-braken-draag-ik-nog/