dementie
STIL ZIT ZIJ IN HET NIETS TE STAREN
WEET EN VOELT NIET DAT ZE NOG LEEFT
LIEFDEVOL STRIJKT HIJ OVER HAAR HAREN
BEGRIJPT DAT ZIJ ER GEEN NOTIE VAN HEEFT
HAAR BEWUST ZIJN IS ZONDER MEDEDOGEN
UIT HAAR BREIN GEWIST EN WEG GEVLOGEN
HIJ OMHELST EN KUST HAAR TEDER
MORGEN, MOEDERTJE KOM IK WEDER.
Mathilda van Bentum-Hofker
130 gedichten Β· dichter sinds 2015
dementie
Mijn liefste waar ben je, zo diep in je zelf gekeerd
Onbereikbaar ,maar door mij met innigheid begeerd
Je kijkt gedachteloos met niets ziende ogen,
Iedere herkenning is uit je brein gevlogen,
Niemand weet, hoe het in jouw is geslopen
En op enig herstel mag ik niet hopen
Het WAAROM, het jouw moest treffen
Zal jij gelukkig ? nooit zelf beseffen.
Hoe moet ik leven zonder het ZIJN van jouw
Na vijftig jaar liefde en huwelijks trouw.
Teder neem ik jouw in mijn armen
Om je hart en ziel te verwarmen.
Je ondergaat het als een lede pop
Dat uit één spat als een bel van sop
Aaltje de paling
Een dikke paling, haar naam was Aaltje
zwom kronkeltje in een smal slootje
een reiger die trek had in een maaltje
stond langs de kant, roerloos op één pootje
te turen door het groene kroos en riet
en keek heel diep door het donkere water
en zag stekeltjes, maar die lustte hij niet
in de verte klonk luid eenden gesnater
Aaltje zag plots het reiger pootje staan
en wist heel vlug in de modder te gaan
zodat de reiger haar niet kon zien
en dacht, hij gaat wel weer weg misschien
opeens vloog de reiger heel ver weg
wat was Aaltje verschrikkelijk blij, zeg
ze zwom weer vrolijk door de plas
op zoek waar haar paling vriendje was
Bas de hond
Een rood knikkertje roddelde over de grond,
bleef liggen voor de snuit van Bas de hond,
ha, dacht Bas, dat is zeker een honden brok,
opende zijn bek, en deed hap hap, slok slok,
merkte niet eens dat het een knikkertje was,
zijn baasje riep, wat eet jij nu weer op, Bas,
het was mijn rode knikkertje, zei kleine Joep,
ik rolde ermee naar het gaatje in de stoep,
nou, zei de baas van Bas, je weet hoe het gaat,
morgen ligt je rode knikkertje weer op straat
het vlinder en spinne verhaal
In een prachtig geweven spinnenweb
Zat een zwarte spin, heel stil midden in
te wachten op een mug of dikke vlieg
hij had zo vreselijke trek die lekkerbek
er kwam een vlindertje aan gevlogen
och, wat hij niet zag, was het spinrag
hij fladderde wild, maar bleef plakken
de spin zag het wel en kwam heel snel
en wikkelde het vlindertje in een rag om
in een cocon, zodat hij niet bewegen kon
nam het vlindertje mee naar het midden
en at hem op van vleugeltje tot kop
Plotseling kwam een ekster aan
gevlogen die zag de spin
en slikte hem meteen in
zo eindigde het vlinder en spinne verhaal
in de maag van de hongerige ekster.
Wezel Lientje was altijd voor alles heel erg bang,
ging nooit naar de tandarts, al had zij een dikke wang,
zelfs voor water en zeep had zij verschrikkelijke angst,
haar haren waren van alle andere wezeltjes het langst,
want als zij dacht aan de kapper met zijn grote schaar,
dan bibberde ze al en werd helemaal bleek en naar,
haar moeder had van dat alles heel veel verdriet,
maar of zij nu op Lientje mopperde het hielp niet,
Toen, op een dag kwam er een knappe wezel jongen,
die zei, wat ben jij smerig Lientje, tsjonge tsjonge,
hier heb je een stukje zeep dan kun jij je wassen,
en wat korter haar zou ook veel beter bij je passen,
wezel Lientje schaamde zich en ging metéén in bad,
en vond het zo heerlijk dat zij haar angst vergat,
ging zelfs daarna met spoed naar de kapper,
wat was die Lientje plotseling geweldig dapper,
toen wilde zij zichzelf weleens in de spiegel zien,
verbaast keek zij naar die veranderde mooie Lien,
vrolijk huppelde zij naar haar vader en moeder terug,
en weet je wie zij onderweg tegenkwam op de brug?
je raad het vast wel, het was de leuke wezel jongen,
hij keek verbaast naar Lien en zei, tsjonge tsjonge,
vanavond kom ik je halen dan gaan we samen uit,
en enkele weken later was Lien de stralende bruid.
Geitje Brei had een lange sik,
hij was daar erg mee in zijn schik,
trots stapte hij er mee in 't rond,
vroeg aan ieder hoe die zijn sik vond,
zijn mama was niet blij met die ijdelheid,
en zei, doe gewoon als elke andere geit,
och, dacht Brei, ze zijn jaloers op mij,
Ik loop weg naar een andere boerderij,
hij huppelde en blij over weide en sloten,
zag zwanen en eenden, kikkers en boten,
stond toen voor een hek met prikkeldraad,
je weet vast wel hoe het met het geitje gaat,
hij sprong, net iets te laag, oh wat een schrik,
boven aan het prikkeldraad wapperde zijn sik,
hij mekkerde en vond zichzelf heel erg dom,
hij miste zijn mama en keerde snel weerom,
zonder sik naar zijn eigen erf bij de boerderij,
hij hoorde zijn mama mekkeren, je hoort bij mij,
wat was hij blij, hij dartelde als een jonge geit,
dat hij nu geen sik had, had hij echt geen spijt.
Poesemoes
Zeg ken jij poesemoes, nou dat was toch zo'n rare
die wilde als jong matroos de wijde zee bevaren
zei iederéén goedendag en zwaaide met zijn hoed
ging zitten in haar poesemand en wachtte op de vloed
maar och, dat duurde toch zo lang en zij werd erg moe
de zon scheen op haar velletje en haar oogjes vielen toe
zij droomde dat zij als de beste klom heel hoog in de mast
en zie was helemaal niet bang en hield zich ook niet vast
maar plotseling schrok zij wakker en oh zij was kleddernat
hoe kan dat nou, dacht poesemoes, ik zit toch niet in bad ?
Weet jij misschien wat die kleine domme poesemoes vergat
natuurlijk, er zaten veel gaatjes in haar rieten poesemand
dus toen het vloed werd, liep de mand vol tot aan de rand
gelukkig kwam er een surfer langs, die viste haar uit de zee
als je nu vraagt, poesemoes ga je varen, dan roept zij hard
NEE
Konijntje
Voor haar verjaardag kreeg Marjolijntje
Een schattig wit en wollig konijntje
Maar het konijntje was nog heel klein
En wilde zo graag bij zijn mama zijn
Hij zat in het hok heel stil in een hoekje
En wilde geen worteltje of konijnen koekje
Marjolijntje wilde hem aaien en knuffelen
Maar angstig begon zijn neusje te snuffelen
Waarom is hij zo bang en heeft hij verdriet
Ik denk omdat hij zijn mama mist en niet ziet
Wat zielig, dan gaan we toch zijn mama halen
Die kan ik zelf wel uit mijn spaarpot betalen
Papa zei, zijn mama zit in een hol op het veld
Die kun je niet vinden of kopen voor geld
Wees lief en geduldig dan zal hij wel wennen
Dan zal hij jou als zijn mama zien en kennen
Muisje Piep, nog zo klein als een mussen eierdop
wilde zo graag groot zijn en klom toen voor de grap
tree voor tree, steeds hoger en hoger tot aan de top
op een wel tien meters hoge glazenwassers trap
eindelijk was hij boven, hΓ© hΓ©, dat viel toch niet mee
hij rustte eerst wat uit en keek toen eens naar benéé
potverdorie, wat hoog was dat, hij leek wel een giraf,
maar och, hij werd zo duizelig en plots viel hij eraf,
pardoes in een emmer water, kletsnat was Piep de muis, de glazenwasser tilde hem eruit en hij rende naar huis,
mama droogde zijn velletje en was ook een beetje boos,
hij moest meteen naar bed, maar sliep weldra als een roos
Het lieveheer beestje en de roos
In de tuin stond een roze roosje met kleine tere blaadjes
Het roosje was erg verdrietig, want een heleboel groene
luisjes aten al haar blaadjes op en kriebelden vreselijk
Opeens kwam er een lieveheer beestje met wel zes zwarte
stipjes op zijn rode vleugeltjes aan gevlogen en ging ook
op een blaadje van het roosje zitten.
Hij begon metéén te eten, want hij was dol op luisjes.
Hij at zijn buikje vol tot er geen één luisje over was op de blaadjes.
Zo, zei het lieveheer beestje, nu ga ik weer wat vliegen in het zonnetje en deed zijn vleugeltjes wijd open.
Maar wat was dat nou? hoe hij ook probeerde te vliegen, hij kwam niet van het blaadje af.
Hij had zoveel luisjes gegeten en was nu zo dik en zwaar geworden, dat hij niet meer kon vliegen.
Oh, oh, wat moest hij nu doen?
Plotseling kwam er een zwarte ekster aangevlogen en zag het lieveheer beestje zitten op het blaadje van het roosje.
De ekster had wel trek in het lieveheer beestje en deed zijn gele snavel al open om te happen.
Niet doen, niet doen, riep het lieveheer beestje, ik ben toch veel te klein en smaak erg vies hoor en ik heb ginds bij de beek hele grote groene slakken gezien en die smaken veel lekkerder dan ik.
Nou goed, zei de ekster, ik eet je toch niet op, maar als je gejokt hebt, kom ik terug en eet ik je wel op.
De ekster vloog weg om die heerlijke slakken bij de beek op te gaan eten.
Het lieveheer beestje ging met zijn dikke buikje in het roosje zitten en verschool zich tussen de bloemblaadjes.
Het roosje vond dat helemaal niet erg, want ze was blij dat ze nu niet meer geplaagd werd door luisjes want die zaten in het maagje van het lieveheer beestje.
Ze zag dat de ekster weer aan kwam vliegen en vouwde snel haar bloemblaadjes om het lieveheer beestje dicht.
De ekster schudde flink aan het roosje, want hij begreep wel dat het lieveheer beestje in het roosje zat, maar hoe hij ook schudde het lieveheer beestje viel er niet uit.
Boos vloog de ekster na een tijdje weg, hij had nog steeds trek in een lekker hapje.
Het lieveheer beestje klom uit het roosje, zijn buikje was al wat minder dik.
Hij bedankte het roosje en vloog weg de wijde wereld in op zoek naar nog meer luisjes.
Het roosje dacht, kon ik ook maar vliegen, maar ja dat gaat nou eenmaal niet.
Zij stond in de tuin om mooi te zijn en heerlijk te ruiken voor alle mensen en dat was toch ook wel fijn.
Het lieve heertje en de luis
Ik zag een beestje, zijn naam was lieve heertje
Hij zat stil op een lelieblad in het zonnige weertje
Zijn ruggetje was vuur rood, met zwarte stipjes
Er kakelde in een ren een haantje en kippetjes
Het lieve heertje was uitgerust en had veel trek
In een sappig groen luisje, kleine lekkerbek
Hij vloog naar vuurrode, witte en gele bloemen
En hoorde daarbinnen in veel bijtjes zoemen
Zij zogen uit het bloemen hartje de zoete honing
En brachten dat snel naar de bijen raten woning
Maar eindelijk zag hij onder een roze blad
Een luisje die uit het blaadje ronde gaatjes at
Het luisje zag het lieve heertje en vroeg beleefd
Of hij ook zo'n trek in een groen blaadje heeft
Nee, zei het lieve heertje, ik heb trek in jou
Hij sprong op het luisje af en pakte hem gauw
Het luisje riep, een lieve Heertje eet mij toch niet
Die geeft liefde en doet niemand pijn en verdriet
Verbaasd liet het lieve heertje het luisje los
En ging wat eetbaars zoeken in het grote bos