zonder titel
Geluk was
toen mijn jeugd oneindig was
de snelheid waarmee ik verloren tijd inhaalde
de zee die overmoed spiegelde
en het zand waarop ik,zeker voor een etmaal,mijn voetsporen achterliet
wanneer de deur openging en mijn vader het zwijgen doorbrak
Inmiddels
is het leven eindig
verloren tijd verleden tijd
kan de zee gevaarlijk zijn en spiegelt zij l heimwee
is het zand verwaaid,,een leven verder
is mijn vader dood
geluk is van korte duur en heimwee duurt een leven lang
Wicky Steevensz
83 gedichten Β· dichter sinds 2015
Geen titel
Bladstil was de herfst toen;
behoedzaam strooide zij haar
bladerdek over jou heen, alsof ze
je niet wilde storen,
ik blaas zacht de nevel uiteen;
niets zal er meer zijn waarin ik
de klank van jouw stem nog kan horen.
Langszij
Jouw voetstappen laten sporen achter
in een tijd waar ik nog niet aan toe ben,
langszij wandel je in een landschap
dat ik niet ken, een eeuwigheid geleden
spanden we onze bogen, schoten onze pijlen
af en keken door eendere ogen naar
denkbaar gevaar, lacherig speelden wij de dood na
en stonden moeiteloos weer op;
nu laten jouw voetstappen sporen achter
in een tijd waar ik nog niet aan toe ben
langszij wandel je in een landschap
dat ik niet ken, dichtbij
en een eeuwigheid verwijderd.
In de luwte van de dageraad
(voor J.)
Laat alles achter wat je kent;
verander wegen in rivieren
en rivieren in wegen,vlieg met
zwaluwen naar verre zomers, ga het leven vieren.
Wees de mast en het roer,ga het diepe in;
zoek in alle windstreken steeds het onbekende,
golf mee met de tijd die je wegvoert van het bekende, toen
wegen nog wegen waren en rivieren hun vertrouwde bedding volgden.
Ga dwars tegen de wind in, heb jezelf lief;
neem geen genoegen met de middelmaat,
en kijk zo nu en dan in de luwte van de dageraad
achterom,in vertedering,naar wie je steeds bent geweest.
Bewustzijn
Zoals de wortels van een klimop
duidelijk zichtbaar blijven op de muur
waaraan zij zich heeft gehecht,
zo liet jouw dood sporen na waarin
het verleden zich pijnlijk openbaarde;
in mijn dromen bevrijdde ik jou
van de last waarmee leven zwaarder werd
dan de dood; zo zou het leven
lichter worden,dacht ik,
maar niets is minder waar:
zwaar weegt de pijn van bewustzijn
en jouw onherroepelijke afwezigheid.
Metafoor
Toen onweer de zeilen
haast deed zwichten,
meters hoog golfde het water
tot het aan de lippen stond,
haalde ik alles binnenboord
streek de zeilen, wierp het anker uit
en bewaakte het angstig kloppend hart.
Gesmolten sneeuw
Ze vraagt waar de sneeuw blijft
wanneer die gesmolten is,
dan waar ik ben als ik later doodga
en of ik haar dan mis.
Ja,zeg ik en wijs naar een wolk
die in windstilte haast tot stilstand
komt en langzaam vervormt;
kijk,zeg ik,daar drijft een olifant.
Ze schrijft haar naam in het zand,
kijkt naar me op en wil het weer wegvegen;
laat maar staan,zeg ik,voor later
en voel ineens de zachte regen.
Voorbij de tijd
Het was niet meer en niet minder
dan een spookhuis waar in mijn jeugd
regelmatig mijn grootmoeder verscheen;
aanvankelijk leek het een nachtvlinder,
vanuit mijn ooghoek,maar stilaan
bleek de gestalte van haar,die ik
nooit heb gekend. Vastberaden,
alsof ze nooit was doodgegaan,
lang voor ik geboren werd. Zij doorscheen
de kamer,waar zo laat geen licht meer was
en wanneer de ochtend aanbrak
ging zij even vastberaden heen.
Voorbij de tijd vloog de nachtvlinder, die blijk
gaf van haar aanwezigheid,
de enige die ik nu zie is mijn moeder
wanneer ik in de spiegel kijk.
Wees niet bang
De wind neemt je mee,
verstrooit het lichaam de tijd voorbij,
oneindig gaat het door,
soms onstuimig als de zee.
Wees niet bang, mijn lief;
op de golven blijf je drijven.
Kind aan het venster
Op het beslagen venster
tekent ze de zon in haar adem,
een landschap verschijnt
in snel verdampend wasem.
Naarstig zoekt ze een plek
voor de horizon, een lange lijn;
daaronder een schimmige draak:
een sprookje ontstaat in het raamkozijn.
βBestaan draken nog, vraagt ze,
of zijn ze weggejaagd?β
βErgens zijn ze er nogβ zeg ik
en zie dat de horizon reeds vervaagt.
Roerloos
De wijzers van de klok bleven
roerloos staan in de tijd
toen je doodging;
maar de tijd, onwetend van dood en leven
bewoog zich ijlings voort;
maalde niet om angst die zich
verschanste op elke denkbare plek,
joeg het leven voort alsof
de herfst nog niet eerder zo ontdaan
haar luister begroef onder een deken
van bladeren, waar zij zich heimelijk voorbereidde
op de wederkeer van haar kleurrijk bestaan.
Zoals jij
Bijna aan de einder, in het vergezicht,
ren je cirkels en trek je het zonlicht
om je heen,
vanaf hier lijk je niet minder
kwetsbaar als een vlinder;
zoals jij is er geen
die met lucht spelen kan
en vriendschap sluit met alleman;
zoals jij is er geen
die mij terugvoert naar toen ik als kind,
evenzo speelde, anders dan jij in tegenwind;
zoals jij is er geen
die mij herinnert aan toen ik niet minder
kwetsbaar was als een vlinder.