67 jaar (1947) geleden geboren, en na een omzwerving door Duitsland en BelgiΓ«, in Eindhoven (NL) gestrand. Naast levenswijsheid (hoop ik toch), lief en leed, ben ik, in de voorbije jaren, drie kinderen (twee dochters en een zoon), twee kleinzonen en een kleindochter rijker. En , twee huwelijken verder, ben ik nu al meer dan 29 jaar samen (waarvan 25 jaar getrouwd) met mijn beste maatje. Om mij emotioneel staande te houden, en als uitlaatklep voor mijn gevoelens, ben ik vrij jong beginnen schrijven, voornamelijk gedichten. Telkens als mijn gevoel zich wou manifesteren, stroomde het over in woorden. Het maakte op zich niet uit of het mooi was, het luchtte op. Want uiteindelijk schrijf je voor jezelf.
Ondertussen werd er in 2007, samen met een heel goede vriend, in eigen beheer een - eerste - fotodichtbundeltje 'onderweg naar 01 november' uitgebracht, die ondertussen echter, in eerste druk, volledig uitverkocht is.
'k ben blij wanneer in lucht de wolken zweven
ook als het regent, hagelt, sneeuwt of vriest
en met de lente valt heel goed te leven
ofschoon mijn zijn de zomer 't meest verkiest
wanneer seringen en ook rozen bloeien
de merels fluiten en het vee staat in de wei
muggen steken en een zon laat alles groeien
dan maakt mij 't leven vrolijk, ben ik blij
dat zonnestralen mij steeds weer verwarmen
de maan in 't diepste duister lacht
dat herfst de zomer volgt en lente winter
ik telkens weer ontwaak na elke nacht
rond middernacht komen er dronkaards thuis
hoor je hen lallen in de straat recht voor het huis
en elke volle stond schreit ergens wel een baby
- dat moet enkele etages lager zijn dan wij -
zo hemeltergend luid zijn zieltje uit zijn lijf
rechts naast ons hoor ik steeds de telefoon
- verkeerd verbonden of misschien ook iemand
die het niet verstaat β en buiten blaft een hond
fluitend danst om het complex een wilde wind
hij speelt met vlokken die heel zachtjes vallen
elke seconde sterft aan hongerdood een kind
woeden er oorlogen die vele levens nemen
het schemert reeds en in de ramen
weerspiegelen de eerste lichten
weldra wordt 't nacht en legt de dag
zich in een rust te slapen
een koude wind kust de gezichten
en in verte gloort het feest van 't Kind
mijn hart slaat stil tevreden in seconden
jouw liefde wijst de weg uit gisteren-tijd
de warme van de saΓ’m beleefde stonden
vertellen mij, het zoeken is voorbij
en het geluk dat wij mogen beleven
is als geschenk voor ons van d' eeuwigheid
op haar voorhoofd
zweetdruppels
geen beschermengel
op haar schouder
al zeg ik bewust niet
dat zij haar dagen
in duisternis doorbrengt
[niet omdat het niet zo is
maar uit misplaatste trots]
o ja, ik vergeet nog
de brandende zon te benoemen
in de maanden juli en augustus
zomerdagen en hun bewoners:
bomen als sprinkhanen
met vogels op de rand
moe makende middagen
in gaten helder licht
en slapende moederliefde
o neen, hier blijf 'k niet eeuwig
al laat een wind het lover
's zomers ritselen over weiden
als vroeger onderrokken
van nog naΓ―eve meiden
en liggen er in tussentijden
hazen, reeΓ«n, zelfs een eenhoorn
stil in de schoot van nacht
- ik ben niet dom, zie wat ik zie
van dat wat woorden nog niet zeggen
maar blonde manen hebben uitgedacht -
al is 't hier mooi, stinkt reeds de vloek
van het fascisme, open bloot
en doodt de zielen die niet mogen leven
haatkanker regeert nu 't weidse land
en mededogen botst tegen gruwelmuren
onverstand en onbegrip, valt altijd
op zichzelf terug en 'k vraag oprecht:
waarom zou 'k steels en heimelijk
gebukt door 't leven moeten gaan
wanneer ik simpel fier en eerlijk
heel eenvoudig hier verdwijnen kan
traag rust de stad op d' ankerplaats van dromen
een lachen ligt gebeiteld in 't gelaat
stil waait een wind en laat de zon verbleken
die hangen bleef in nu reeds winterbomen
uit alle kerken zoemt een treurnis
vermenigvuldigt zich, stijgt op en regent
op vermolmde daken, oude glorie
al is het interieur door pracht en praal gezegend
en gaat 't verwonderen van deur tot deur
langs kerken en paleizen van de rijken
waar elk grandeur van toen heeft moeten wijken
met het verbrokkelen van muren
wordt hun verval beschreven
hoogmoed kan nimmer eeuwig blijven duren
vuurkorven in de nacht gedragen
door warme handen en in parken neergezet
brengt gloed waar bloemen zijn, appelsienen
komen levenden uit het duister
slapeloze mensen en dieren, de laatste vlinder
in vonken en rook van de vlammen