jou vergeten omlijst het geheugen
met kwebbelende lachspiertjes
die iedere wond bedekken met
de jaren die je bij ons woonde
vandaag kwam de echte pleister, het
hechtte aan de tijd die zich laat kennen
in lange baarden en verdwenen momenten
waarvan we dachten dat ze nooit zouden vergrijzen
iets achterlaten in het vergissen in de
daad van het leven vergt moed
tenslotte rijst de vraag of de dood ook kan
verdwijnen, verdwijnen in het niets alsof een
droom de broze wolk ontwijkt waarin emotie
de uitlaatklep is van het gemis
nu, de leegte valt mee en de kamer
blijft gevuld met warmte, ik zie je niet
en voel je niet doch deze samenhang
van loze woorden rijpen de nacht
tot een volwaardig en voltooid samenzijn
elze schollema
529 gedichten Β· dichter sinds 2014
ontroering
ontroer(ing)
zonder mij dacht ze, ze is mijn
hart dat me beweegt, me complimenteert,
me laat verdwijnen als de massa waakzaam
scharrelt langs hun eigen inbreng
ze dwingt aan op mijn vertrek, legt
een zilte vilt op het voorhoofd en dirigeert
mijn adem langs de finish die ik nooit zal halen
steeds harder slaat haar betoog in het ritme
waarmee ze tot me spreekt
zij weent, ik weerspreek de onrust en bewapen
mijn woorden met een poΓ«tisch geladen kleinood
totdat de mist zich in mijn ogen nestelt en
me de ontroering brengt die ik voelde
wanneer het houten paard van de kermis
me laat voelen dat het van me hield
dat het een koude snuit betrof dat
deerde immers niet, mijn wang op zijne
ze wint, ik ga langs de prominenten
die bezwaard zijn met de tijd me schouwen alsof
de donder me begeleidt naar de longen
van het buiten
bang ( stil moar, ik bin bie die
mag ik zeggen dat ik bang ben
bang zijn in jouw armen, bang
om de slaap te morsen in de
vitrine van je liefde
zal ik zeggen dat ik bang ben
bang zijn in jouw woorden, bang
om het leven te fluisteren in de
schoot van je liefde
mocht ik zeggen dat ik bang ben
bang zijn in jouw nacht, bang
om de duisternis te raken in
het erbarmen van je liefde
ik zeg je, dat ik bang ben voor de nacht
bang om mezelf te verliezen, bang
voor de vrije val zonder eind - daar zal
ik jouw liefde missen
er is geen nacht waar ik niet schreeuw, je
woorden me troosten je warmte me beschermt
voor de kou onder het bezwete laken, je liefde
grenst aan mijn voorspellende droom
toch zal eens de nacht een duw zijn
naar een nieuw avontuur waar deze
tochtige herfst in een gloed van durf
het bloed zal morsen op het tapijt
waarop we eens de liefde in elkanders
lichaam bezongen
bang
mag ik zeggen dat ik bang ben
bang zijn in jouw armen, bang
om de slaap te morsen in de
vitrine van je liefde
zal ik zeggen dat ik bang ben
bang zijn in jouw woorden, bang
om het leven te fluisteren in de
schoot van je liefde
mocht ik zeggen dat ik bang ben
bang zijn in jouw nacht, bang
om de duisternis te raken in
het erbarmen van je liefde
ik zeg je, dat ik bang ben voor de nacht
bang om mezelf te verliezen, bang
voor de vrije val zonder eind - daar zal
ik jouw liefde missen
er is geen nacht waar ik niet schreeuw, je
woorden me troosten je warmte me beschermt
voor de kou onder het bezwete laken, je liefde
grenst aan mijn voorspellende droom
toch zal eens de nacht een duw zijn
naar een nieuw avontuur waar deze
tochtige herfst in een gloed van durf
het bloed zal morsen op het tapijt
waar we eens de liefde in elkanders
lichamen bezongen
geen details
wat ze had voorspeld kwam vandaag niet uit
wellicht morgen, ondertussen zogen haar
rode lippen op een tot hard geworden voorwerp, geen
details want de herfst kwijlde in zijn eigen verdriet
niets was ze vergeten, de winterviolen harsblauw
gaf ze alsnog het vergeten water, niemand dobbelde
nog om haar kunnen - terwijl haar handen
speelden met het hamerspel dat verschrompeld
haar aan de tijd deed herinneren
ze foeterde op de wetenschap daar haar
monoloog klemde tussen de vernederingen die in haar
lichaam huisden - ze spuugde het zaad in een
tissue, opende de deur en veegde de bladeren
van haar stoep
zij sprak in woorden die iets
konden onthullen, vrijelijk
praten naar het evenbeeld
dat ze aanbad
ze kwam iets tekort in
haar ontwaken dat slechts
daden vergoelijkte met dappere viooltjes
die het najaar deed vergeten
ze kende geen seizoenen, het nesthaar
was al vroeg vergrijsd in de kunstmatige
opgezette krullen die met spelden
in elkaar waren geregen
het naar snert riekend graf ontbond
haar geheim waarvan ze nimmer
had geweten dat ze ernaar zocht
in de hiaten waar liefde de krekels
waren in haar hoofd
ceremonieel ontkrachtte ze het
vernis van het werkelijk gezag en
plantte aarde in de vorm van bloei
in alles wat haar stem vergaarde
berouw
geef het water mij als een
herinnering als het drijft tot
ver na mijn tijd, schrijf mijn naam
op het spiegelend vlak en dicht
haar oever mijn geschreven woorden toe
het sterven in mij oogst het
laatste leven terwijl de zee aan mijn ogen
kantelt tegen het licht tot na het duister
het gemis zal slechts een vondeling
beroeren wanneer zijn dromen zich
vinden in die van mij
laat mij dan het strand zijn dat
verzwolgen door het lijden de restanten
observeert en ze laat verdwijnen gelijk
de schaduw van mijn overbodig zijn
tot nu toe
ten dele in mijn verwondering
schaar ik mij achter twijfels, want
ik las dat het bewegen in zonde
het pad was dat ik leid
terdege hoezeer men mij kan
vlijmen me scherpen aan de hoed
van morgen, het schragen van mijn last en
het vervormen van de tijd die ik heb ontkend
tot nu toe, want de dood streelt aan het venster
-wellicht zonder proporties β terwijl het grijs verleden
nu verlicht ergens in de achtertuin ligt te luimen, zonder
doel geen gunst; het idolate heb ik verzwegen
want het lot dat mij herkanst is de spade
van het open graf
muze 5
nog draag ik in mijn hart
de vele regens die me raakten
maar ook de bloesem die zich
opende in mijn hand, lief jij bent
het vlakke land met het stromend
bloed van een meander
steeds als het scheve licht als een
dolk mijn ziel doorklieft en wonden
weigeren te sluiten droog jij het kind
in mij dat zich met vuisten moest octaven
tegen alles wat zinloos was te noemen
telkens wanneer jij in het slapen woordjes
prevelt maak ik dit alles eigen in poΓ«tische
refreinen, jij mijn toebedeelde lenteblad
maakt mijn slaap tot een donzig warm bad
herfst doet mijmeren
nog zwijg ik de herfst in het blad
dat aan het venster diep gerouwd
in βt vroege rijp schrijvend me bevrijdt
op βt wankele papier waarin hiaten
de knoesten zijn waarop ik heb gebouwd
ledig zoals zwaarte zwicht voor βt vuur
leidde je mij door krochten die tijdloos
en verachtend zich kruiend in volle wagens
zich storten op een nieuw avontuur
een getijde in βt rusten van de dood
blieft mijn zekerheid zoals liefde
slechts voortkomt uit een
bedrogen aardse schoot
hoe ontheemd
nog is er het weten, het
ademen van jouw handen
die me betasten
*
mocht ik kind in al mijn jaren zijn
me gebrekkig voort bewegen in het
schrijnen van het werelds leed, me
bewegen op het ritme van jouw heupen
laat me dan zondigen als ik dorstig en ontheemd
me laaf aan het binnenste van jouw kruis, me
bedrink aan de geur van liefde en de smaak
van kamille die ik eeuwig laat geuren in het
hart van mijn papil
lief, vandaag geen muze 5 ondanks
het rusten van de herfst die tegenwinds
onze rijk bezaaide akkers voedt met
de belegen jaren β lief met jou is het goed
de kwelder aan mijn Wad
het vlakke land rust nu in dagen na
de lavendel storm door wie ze is gekust, ze schermt
met doffe degens en zaait stilte al was het nog zo
pril als een ongeboren vrucht
ergens had ik het al geweten, ze weende toen
ik haar betrad, haar raakte aan haar delen die
zij alleen bezat het intieme van haar slaap
ijverde mijn drift terwijl ze zonder handen
in al haar kwetsbaarheid die aan mijn voeten me ligt
haar schuwe afrasteringen had ik met
ferme treden genomen en liet mijn afdruk
na in het genoom dat ons bindt, zij als
kwelder β ik als eeuwig kind