Mens in Soedan
geen kracht meer
geen geest meer, die straalt
die dicht, die belangrijk vindt
dat woorden van mensen
goed zijn...
en zijn tonen klaar
geen kracht meer
geen geest meer die voedt
die haar kind tot leven draagt
en strelend met haar hand
liefde...
brengt tot lafenis
geen kracht meer
een lichaam dat slechts geeft
uit solidariteit met stof
en zand waarin het op gaat
terwijl...
de oorlog het verstuift
geen kracht meer
help!
Jan Folkert
119 gedichten Β· dichter sinds 2023
Ik ben al mijn hele leven dichter. Althans vanaf mijn eerste theatrale puberale verzuchtingen. Dat is meer dan 50 jaren geleden. Zelden vloeit een gedicht zomaar uit mijn pen. Vaak is het hard werken: Opschrijven, veranderen bijschaven, laten liggen, opnieuw oppakken, verwonderen over het prutswerk van gisteren, enzovoort. Het zijn momentopnames, gevoelsfotoβs en registraties van een gedachtegang. De laatste 25 jaren heb ik vijf bundels van 20 Γ 30 werkjes geproduceerd onder de naam Jan Folkert, mijn twee echte voornamen. De meeste daarvan staan op deze website. Ook heb ik in het verleden poΓ«zie gepubliceerd onder de namen Jan Bouman en P.J. Kali.
In 2011-2012 ben ik als naastbetrokkene samen met een directbetrokkene en een zorgverlener gevraagd om een jaar lang GGZ-dichter van Nederland te zijn. GGZ staat voor Geestelijke GezondheidsZorg. Op GGZ-congressen en -bijeenkomsten mocht ik zorgverleners en politici treffen met talige projectielen om ze aan het denken te zetten. Veel van mijn gedichten gaan over ontmoetingen in de geestelijke gezondheidszorg.
In mijn professioneel bestaan ben ik organisatie- en informatieadviseur. In 2023 ga ik met pensioen. Ooit ben ik begonnen als ITβer in een tijd dat de meeste organisaties nog dachten dat IT science fiction was.
El NiΓ±o
El infierno
stormvloed dient zich beukend aan
onverwacht, zonder genade
waar de vrouwen angstig staan
aan de vallende kade
El paraiso
water lest het droge zand
dat slechts kale knoken baarde
waar nu sappig leven brandt
in de zwangere aarde
El cielo
mensen kijken bang omhoog
waar verwaaide vogels vluchten
dan ziet men het thermisch oog
in de zwellende luchten
El niΓ±o
ongestoord schuimt hij nog door
zich in geldingsdrang verrijken
als een wrede matador
tot zijn stromingen wijken
Bazen en de werkers
grauwe lijven
graaien grond
als maagdig stof
van aarde op
en schoenen van
de bazen schuiven voort
omdat de buidel
eenmaal lui
niet vol raakt
van het zweet
van borden in de zon
die onbetaald
en stug gevast
niet vol geraken
en ruggen van
de werkers blijven krom
zodat het werken
aarde krenkt
en striemen slaat
in 't grijze vel
als dan de velden
zijn bezaaid
met vloeken
uit de zwarte bast
schuiven schoenen
van de bazen
angstig neuzend, tellend
van het veld
waar alleen
de opbrengst geldt
Vrij
Voeten over de slierten in het natte gras
met gele bloemen
waar insecten dansen op zijn lijf met vlekken van aarde.
Textiel vormt een nodeloze schil tussen hem en zijn grond.
Knopen gaan los en kleren spreiden zich over het land.
Zo zwerft hij vrij waar niemand hem zoekt en wil vinden.
Waar hij ligt in het gras en zijn huid glimt met de slakken.
ga
je eigen weg
zoek naar jezelf
en kom terug
als je me nodig hebt
of
als je je eigen licht
in jezelf
hebt gevonden
Avontuur!
Het kind, de ogen.
Het veld, de lelieΓ«n.
Wij volgen! Wij volgen!
Laat de doden hun doden.
Laat leven wat leven geeft.
Aren in onze handen.
Broden en vissen.
Alles valt ons toe met Hem
- door de wijde dalen van Israel
- trekkend door Zijn koninkrijk.
Het land van de profeten.
Telkens weer de ontmoeting
- van mensen met Hem.
Zijn geest straalt.
Zijn woord betovert
- en laat sporen na.
Waar Hij is en waar wij zijn
- klinkt een toon, ongehoord
- maar duidelijk waarneembaar
- want Hij vult de ruimte met meer
- dan Zijn lichaam
- en blijft,
- ook als wij verder trekken.
Wij volgen! Wij volgen!
Opgelaten door wat wij zien,
- door wat wij horen,
- en verwachten.
Wonderen!
Kreupelen lopen voor ons uit.
Zelfs doden staan op en volgen ons.
De kleur van een dag met Hem
- doet het oude verbleken.
Wij lachen, wij dansen.
Op naar Jeruzalem!
En dan opeens...
Een rilling, een rimpel in de dag.
Een kreuk in het koninkrijk.
Waarom ben Je zo stil?
Een blik met een boodschap?
Woorden over dood?
Waarom toch?
C'est destin
Destin. C'est destin
riep jij lachend
om onze eeuwige zorg
en onbeholpen trots
terwijl jij waggelend,
sierlijk dansend en
golvend onder je huid
als smeltend goud...
weg deinde
in volkomen harmonie
met de open hutten
van jouw wonderlijk bestaan
waarin nog nooit
het land zo dor was
een bord zo leeg
of een traan in de nacht zo nat
dat het de ochtendzon ontmoette
Verwerken
een donkere wolk
drijft over
onttrekt het licht
aan mijn gezicht
hij breekt
en laat de stromen vrij
een regen van gedachten
en herinneringen
in mij
kom dan wanhoop
kom verdriet
de regen die nu valt
valt morgen niet
Danse Macabre (tijdens Corona)
Die eerste tonen klinken zoet. Daarna snerpende dissonanten die je op een plek brengen waar je niet wil zijn. Althans niet nu.
Muziek resoneert op het plein. Het festival is eenzaam, leeg. Danse Macabre, merg en been. Geheimzinnig, gedwongen terwijl je niemand kunt aanwijzen als schuldige.
De regering misschien maar die is abstract behalve op dinsdag. Persconferentie en talkshows door de vensters. Maar nu even niet.
Laat mij maar buiten dansen want er is ruimte genoeg en het is niet verboden. Kraaien schreeuwen in de verte en dragen bij aan toon en licht. βt Lijkt of ze βrabarberβ krijsen.
Uit een huis klinkt Leonard Cohen. Meedeinen op de melancholie totdat je hoofd een lantaarnpaal raakt. Sterren en planeten. Door de klap zie je Saturnus beter dan anders.
Regen plenst. Onweer nadert en de bliksem komt binnen een seconde. Schuilen maar niet onder een boom. Onder de open hemel.
Water in je longen maar je kunt ademen zonder aerosolen. Alleen, want dat is veilig ook al word je nat, gewassen, gezuiverd. En je mag hoesten.
Draai, draai, draai. Zo tol je over de klinkers. Duizelig maar helder. Met je armen gespreid ben je toch niet alleen en sla je een brug naar morgen.
Langs de schappen (tijdens Corona)
Pijl op de grond bij de nauwe ingang.
Schouder aan schouder met een tegenvoeter.
Als je geen gezichten ziet, waar ga je dan op letten?
Afgewende houding misschien. Voeten dan maar.
Waar vroeger geur je verwelkomde slaat nu
adem op je ogen. Schielijk langs de schappen.
De kar houdt je uit de lichtkrans van een lotgenoot:
Rivaal die eten zoekt en spullen pakt. Overleven is het.
Solitair en verweesd alsof je naakt bent.
Juist daar - de pijlen volgend - komt het op je af.
Ziet het je en kleeft het aan je. Druppels in de tocht,
koud en etherisch. Je grijpt links en rechts van je
als een zombie, gebogen in je jas.
Het is winter en de nachten zijn lang.
Evenals de rij bij de kassa: Pijl met contactloze punt.
Betalen, naar buiten en lucht!
Duizend manen
Onweer en stortregens komen
als vuur en water in de nacht
de moeder voeden. Aarde
die ons neemt zoals wij staan.
Naakt en glanzend. Huid aan huid
in een tijdloos web.
Jouw rug zinnelijk tegen mijn borstkas.
Mijn hand op de welving van je buik.
Chakra's vloeien.
De tijd stolt en wij zien
duizend opkomende manen.
Twee handen vast
Met twee handen vast en tas voorop rolt ze vooruit.
Weifelend loopje. Beige kousen, glimmend in het daglicht.
Schoenen plakken op straat. Magneten die moeilijk loslaten.
Ogen naar voren. Naar een plek die zij kennelijk ziet.
Ze stopt bij de stoeprand. Obstakel naar de overkant.
Dialoog tussen straks en nu, brood en beschuit, lijf en geest.
Haar tas valt open en bevat alle ingrediΓ«nten.