Ooit zag
Zij heeft de mooiste ogen,
Ik ooit zag,
En daarenboven,
Ook de allerliefste lach.
Die ogen รฉn die lach,
Kan ik niet, nooit vergeten,
Draag ik voor altijd met me mee,
Die herinneringen raakt nooit,
Nooit versleten.
Als ik mijn ogen sluit
Zie ik weer haar glanzende ogen,
Weer die stralende lach,
Wens ze eeuwig blijven mogen.
Joris Olivier
1853 gedichten ยท 509 dit jaar ยท 30 deze maand ยท dichter sinds 2023
Mijn eerste gedichtje schreef ik voor mijn eerste liefde Anja:
Ik denk,
Een meisje,
Ik wenk,
Ik bewijs je,
Mijn liefde voor jou.
Mijn tweede voor de liefde Marian met wie ik ben getrouwd:
Marianneke,
Mijn vlammeke,
Mijn hart- en hemeldief,
Kan dโr een ander,
Neen, geen ander,
Zijn zo lief.
Voor haar schreef nog voor we trouwden nog enkele liefdesgedichtjes. Daarna heel lang niets, pas na haar overlijden schreef ik gedichtjes over mijn rouw. Toen ik mijn tweede liefde kreeg, schreef ik voor haar gedichtjes over onze liefde en na haar overlijden ben ik doorgegaan met het schrijven van gedichtjes over uiteenlopende onderwerpen.
Stille tranen,
Van innerlijk verdriet,
Die zijn er wel,
Maar die zie je niet.
Onbeschrijfelijk
Haar voorkomen beviel hem zeer,
Zoiets fraais zag hij nooit eer,
Haar bewegingen adembenemend,
Niet verwacht ooit belevend.
Zij was gewoon buitengewoon,
In vergelijk viel alles uit de toon,
Zij was dรฉ Aphrodite pur sang,
Daarnaast hij niets meer verlangt.
Haar beschrijven kan hij niet,
Zo verblindend is hetgeen hij ziet,
Daardoor elke beschrijving faalt,
Naar niets anders meer taalt.
Doodse stilte 1
Ik luister,
Hoor slechts stilte om me heen,
Die stilte doet mijn oren pijn,
Prengt 'k niets kan horen
Van wat ik zo graag tot mij nam,
Ik zo graag wilde horen,
Ik nooit genoeg van kreeg,
Klonk als een symfonie
Zoetgevooisde violen,
Die van liefde zongen,
In een, dacht ik,
Eeuwig klankfestijn
Ik hoor
Nu nog slechts
Doodse eeuwige stilte.
Dilemma
Haar woorden troffen doel,
Wat ik er door voel,
Is onmiskenbaar herkenbaar,
En, absoluut waar.
Nochtans aarzel ik
Om dรกt te bekennen,
Want het kan ook toeval wezen,
En als dat waar zou zijn,
Dan doet dat pijn.
Daar worstel ik nu mee,
Ik zie geen uitweg
Voor dit probleem,
Blijft mโn eeuwig dilemma.
Vegetarische slager
De slager hield niet van vlees,
Was van huis uit vegetariรซr,
Trouwde de slagersdochter,
En geraakte zo in โt slagersvak.
Zijn vrouw en kinderen allemaal,
Waren verzot op vlees en daarom
Kookte zijn vrouw voor hem apart
Voor hem โn vegetarisch maal.
Alleen de hele buurt wist van zijn
Afkeer van vlees, vertrouwde
Hem daarom niet en keerden
Eรฉn voor รฉรฉn de slager hun rug toe.
Dit resulteerde in een faillissement,
Hij heeft nu een bakkerij,
Daarin is hij als een vis in โt water,
Eet nu thuis zelfs een stukje vis,
En af en toe, heel aarzelend,
Een stukje vlees bij dโavonddis.
Eind goed 1
Hij wilde er niet aan,
Zij wilde er van af,
Ze stonden nu pat,
Hielden daarom pas
Op de plaats.
Ze hielden dat niet vol,
Deden water bij de wijn,
Edoch zo bliefden ze die niet,
โt Was nu โn waterig aftreksel,
Gingen er beรฎ aan voorbij,
Gaven hun portie aan Fikkie,
Dรญe maakten ze ermee blij.
Zitten nu met de gebakken peren,
Kwamen van โn koude kermis thuis,
Maar gelukkig wordt de soep
Niet zo heet gegeten
Als die wordt opgediend,
Zetten nu de tering naar de nering,
En zo eind goed al goed.
Levenscirkel
Het bloed in mijn aderen
is tot water verdund,
stroomt steeds langzamer,
meer is mij niet gegund.
De zon brandt op mijn
lege schedel zonder gedachten,
die vervluchtigd zijn
door duistere, zwarte krachten.
In de ochtendstond valt de avond,
alsof niets is voorgevallen,
is de levenscirkel weer rond,
gevoed met wat was ontvallen.
Broodwรฏnning
Hij was zich van geen kwaad bewust,
Bakte de broodjes graag bruin,
Hij bakte ook zoete broodjes,
Duivekater, suiker- en roggebrood.
Zijn nering floreerde niet,
Bakken daar bakte ie niet veel van,
Dat deed hem heel veel verdriet,
Want bakken daar hield ie van.
Heeft bakken aan de wilgen gehangen,
Is nu klompenmaker van beroep,
Dat gaar hem stukken beter af,
Alleen hij raakt ze aan niemand kwijt.
Hij heeft zijn schuur nu vol met klompen,
Kan ze alleen kwijt bij de bakker
Als brandstof voor diens oven,
Hoeft ze nu niet meer glad te schuren.
Nog altijd 1
Haar liefde is onuitputtelijk,
En oneindig groot,
Gaf zij mij vanaf het begin
Tot โt bittre eind.
Ook nu, nu zij er niet meer is,
Blijft haar liefde,
Nog altijd net zoveel als eer,
En even voelbaar.
Ze laat mijn hart nog altijd overslaan,
Mijn bloed verhitten,
Haar immense liefde zal nooit over gaan.
Ik proef haar kussen net als voorheen,
Voel en ruik haar
Nog immer alsof zij nooit verdween.
Nooit genoeg van
Haar kussen smaken honingzoet,
Met de nasmaak van framboos,
Die doet verlangen naar meer,
Ik nooit genoeg van krijgen kan.
Haar huid ruikt naar sandelhout,
Met een vleugje rozemarijn,
Een geur die mij voert ten hemel,
Ik nooit genoeg van krijgen kan.
Haar vormen zijn onaards mooi,
Ik mijn ogen niet vanaf houden kan,
Mij vergezellen in al mijn dromen,
Ik nooit genoeg van krijgen kan.
Zij is mijn uitverkorene, mijn lief,
Met wie ik immer wil verkeren,
Ik zo, zo ontzettend graag zie,
Ik nooit genoeg van krijgen kan.
Voorspelling
Het oude einde is het begin
op weg naarโt nieuwe einde.
Terwijl ik mij hierover bezin,
zie ik de horizon verdwijnen,
draai mij om naarโt verleden,
verdwijnend in dichte mist.
Ik verplaats naar het heden,
weet niet of ik mij heb vergist.,
of heden uit ver verleden
nieuwe toekomst voorspelt,
wat ik toen heb vermeden,
is wat mij nu zo kwelt.