Damocles
Uit 'Het absurdistisch universum'
Het zwart van de gehangen vorst
zwaaide boven de dorstende massa
als de slang die het lam wurgde
zonder om de wreedheid hij het beging.
Het zwart glinsterde in de nacht
in een niets ontziend snijdend verval
als het lot dat allang beschoren
in de coulissen hoog te wachten hing.
Het zwart, de oogst bleek in de goot
van de straat waar de revolutie stierf
zoals de dictator er zijn macht verwierf
met het zwaard dat hij vallend ving .
Guido van Geel
70 gedichten Β· dichter sinds 2014
De god in mijn gedachten
slaapt meestal zijn roes uit, na weer in mijn nachten
de duisternis gewoon te hebben ondergaan.
Geen licht is mij aangegaan in mijn dromen
noch in 't even bekomen omwille van mijn andere zij.
Toch zou hij mij veel helder mogen verklaren
over de vragen die zo nu en dan langs mij komen.
Alhoewel bij mij een donker vermoeden zich opdringt
dat hij wellicht zichzelf ook in bochten wringt.
Daarom hier als troost:
De waarheid vormt een toeval.
Het toeval betreft de zekerheid.
Aan de zekerheid kun je voorbij gaan.
Wat je voorbij ging, weet je niet.
Wat je weet is onbelangrijk.
Van belang is alles bij elkaar.
Tezamen met wat overblijft,
beklijft, wat dacht je dan, proost!
Guido van Geel
Onze tuin
Blauw valt de regen
uit de trossen dagenlang
houdt de wurger vol.
Niets beroert de wind
dan een takje heen en weer
een mees ermee weg.
Zilveren sporen
in de nacht toegeslagen
zoekt een zanglijster.
Uit de beukenhaag
de een na de andere
ritselt de winter weg.
Een merel uit haar nest
de snavel wijst naar omhoog
de pieren wachten.
grasmaaiers grommen
het grote voortplanten tiert
mama's hier en daar.
Guido van Geel
Verkeer
Gras
de snelweg ruist daar
achter de wal waar het oog
de vrachtwagens snijdt
Berm
de buizerd kijkt er neer
boven rijen heen en weer
een muis doet er toe
Wegkant
het fluitenkruid waait
schoksgewijs vanaf opzij
telkens weer even
File
de rij staat lijdzaam
op de parallelweg gaat
een fietser voorbij
Klaverblad
Op het viaduct
er onderdoor het viaduct
uit voegen ze in
1955
Panhard en Borgward
Simca, Bedford en Fongers
mijn vader zijn fiets
Guido van Geel
'n Jaar
Januari
Ooit ging het strengen
nu draaien compressoren
met de verdampers.
Februari
Kort zijn uw dagen
lang nog zijn uw nachtvorsten
rond prins carnaval.
Maart
Onder de wolk sleept
het voorjaar van verre voort
dat stuiteren zal.
April
Als het speenkruid glimt
wachten de pinksterbloemen
de lente nog jong
Mei
IJs heiligt de nacht
de vogels lengen het licht
vliegen af en aan
Juni
De kreeft keert de kring
waar de nacht niet komen wil
deint de zon rondom.
Juli
Ook gij Brutus ijlt
uw dagen de zomer na
waar de iemker treurt.
Augustus
Waar sikkels klonken
liep de jonker met een spriet
tussen zijn dennen.
September
Wieven in de sloot
zonnedauw op de struiken
glimmen de webben.
Oktober
Gedragen de oogst
barsten de bolsters open
zingen de vaten.
November
Grijs duistert de dag
zwaar schuiven de wolken
het gevallen blad.
December
In de langste nacht
ben ik erbij gekomen
vijfde in de rij.
Guido van Geel
De schreeuw in de stilte
Op de dag dat de stilte brak
hokten de zwijgers samen in hun wrok
om zich vol te vreten in eigen nijd
het was in die glanzende eeuwigheid
dat hij zijn boodschap te venten bood.
In de nacht dat het licht verdween
riepen de krijters in hun dromen
zich te tekenen aan de wanden
het was daar dat hij zijn hun handen
hief om wille de te dempen nood.
Maar uit de nevels aan de rand
waar de wereld zijn grenzen kent
rees in groot vertoon en kernmacht
de ster die het tot sterven had volbracht
en loste alles, ook hem, op in het rood.
Guido van Geel
Waartoe dicht gij
aan Istvan Koning
Waartoe het vers te dichten leeft
anders dan de zinnen te verlichten
en woorden te malen laten luiden
De dichter wikt de dichter weegt
als de leerling het licht beschikt
en geen dood te duchten weet
laat mijn werk door uw handen gaan
waar ik de heer der elementen zoek
laat mijn schip op uw golven deinen
waar de boeg de hoek bepaalt
laat mijn werk uw stormen luwen
waar ik de dood voor zeker boek
daar zal ik de beelden vinden
die uw geest gelieven te bekoren
daar zal ik de tempels wijden
die uw ogen hoog verwijlen
daarin zal ik lang vermijden
opdat ik niet tot uw gram zal horen.
Guido van Geel
Zij
Zacht kreunt zij als hij,
als hij haar lichaam raakt.
Zacht kreunt zij als hij,
als hij haar liefde smaakt
Zij hijgt zacht zij als zij
als zij zijn strijd over streeft.
Zij hijgt zacht als hij
als hij in haar liefde leeft
Zacht slaapt zij als zij,
als zij naar haar diepte daalt.
Zacht slaapt zij, als zij,
als zij daar haar adem haalt.
Guido van Geel
Handen
Ze liepen levenslang over de wegen
zonder dat hun handen naderden
die wachtend hen te reiken te dienden.
Dat plotseling het huis verschenen stond
met alle ramen in volle overvloed
open de deuren stralend uitgestald.
Daar verlegen traden zij in het licht
de warmte rondom hen en de pracht
van de gouden graal glinsterde zacht.
Raakten zij, raakten zij de handen aan
en alles zwevend zijn aanvang nam
liepen zij, zij naar het laatste avondmaal.
Guido van Geel
Waar te gaan
over de dichter zijn lot
Waar de ruggen zwaarmoedig leunen
slapen de verzen hun doodse dagen
met alleen tussen kaft en kaft de zilver-
visjes die aan de roersels knagen.
Waar het stof glinsterend soms daalt
vergeten in de late koude middagzon
dekken laag na laag een zacht grijze
waas over waar geen ziel naar taalt.
Waar Hooft drost was van Muiden.
Waar van Da Costa een straatnaam rest
Waar Willem ooit zijn Madocke maecte.
Staat de dichter als een ten lange lest.
Guido van Geel
Praw, alzo
Bij de uitstalling van βDe Arbeidβ
Der Krijg is voorover, is gedaan,
U wachtet de bombe der waan.
Die uteraal Bom ja recht verstaan
Wees achtend, U gewachtet
de grijsharenden Kopfwelle.
Der Arbeit der waas zal vellen,
zal de waas U voor de ogen zijn,
zo zeg ik U maal voor zo zeg ik aan.
Ik erkondig U het komen aan,
het aan van de Altpensionisten
Hoedt U, hab acht, U wacht.
De Grijsnacht und nevelmist.
Grijzer ja dan de diepe Nebel
is de Langarbeid die U gebeidt.
Mensch hab acht hab doch acht.
De Alten beramen,
de ramen sluiten
wat jong is buiten.
Ik hab U gezegd,
hef het glas, daar
βDie Beschonkenheid der Meister zeigtβ.
Igor S.M. Prywlkofski 1947
(Guido van Geel)
Een dag in haiku's
Licht
Ver licht heft de nacht
achter de witte zeilen
kondigt de ochtend.
Wolken
Onder wolken kleurt
in de koude rietlanden
de duisternis vlucht.
Nevel
Uit de nevel rijst
de dageraad groot de zon
boven de mensen.
Schaduwen
Schaduwen bleken
de vrouwen in hun begaan
er verschuift een deur.
Velden
Over de velden
verbuigt de wind zijn gewas
net als de mensen.
Koelte
Licht veegt de koelte
in de huizen op een hoop
de zon heerst buiten.
Velden
De velden liggen
de mensen in de verte
dragen de avond.
De Berg
De berg splijt de dag
schaduw wijkt het licht uiteen
de nevels ontwaken.
De lampions
Lampions komen
met schimmen op de wanden
rust de avond neer.
Vogels
De vogels vieren
op de hoge bloesemtak
laat het avondlicht.
De Nachtvogel
Een nachtvogel schreeuwt
een dood bleef om een leven
achter in de nacht.
De Zee
Ver geel glimt de zee
achter de zwarte zeilen
bolt de maan omhoog.
Guido van Geel