De Lente laat een Litteken na
Stilte was ondraaglijk geworden
Niemand had dat door
De lucht was zwanger van de lente
Zwaluwen bereidden hun terugkeer voor
Krokussen kwamen naar boven piepen
Wolken lieten de zon meer ruimte
En toch was de stilte oorverdovend
Tot iemand een kijkje ging nemen
Geen adem die de kamer vulde
Licht had ongemerkt de benen genomen
Vier houten planken tot elkaar veroordeeld
Lieten zich van hun donkerste wit zien
Roerloosheid op de spits gedreven
Mickey Mouse aan de muur liet een traan
Het bestaan had zich een donkere kapmantel aangemeten
Overal werden schaduwen achtergelaten
Er zouden nooit genoeg zakdoeken zijn
Een toevloed van zout zou bodems onvruchtbaar maken
Gebeden zouden voor altijd hol klinken
Buiten laten vogels hun gezang horen
Wolken schuiven voorbij
De zon houdt maar niet op met stralen
En de horizon blijft waar hij altijd is geweest
Afscheidsgedichten – pagina 3
Jij
Hier lig ik dan, in de nacht en in het donker
te denken aan jou, onze herinneringen en hoe ik me voel
zonder geen enkel doel
De mooie momenten die we beleefden
van samen spelen tot samen koffie hebben gedronken
Jij, ik zal je missen
zonder me met iemand anders te vergissen
Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat
speelden we skipbo en gaf je me goede raad
Samen wandelen van hier tot daar
zonder jou voelt dat nu raar
In de stad of op het meer
jij bent nu mijn lieve knuffelbeer
Ik zal je missen van de zon tot aan de maan
maar vergeet nooit dat ik voor je klaar zal staan
Apotheose
Het dekbed warm,
Jouw rondingen zacht,
Ik naar verlang.
Het bed opgemaakt,
Jij niet meer,
Geen uitgelopen eyeliner,
En lipstick op mijn lippen,
Die smaakt naar framboos.
Geen twinklend kaarslicht in je ogen.
Radio kweelt nog melodietjes
Uit d’oude doos,
Ik wacht, moet blijven wachten
Op d’apotheose,
Van het slotakkoord.
Afscheid
Hier scheiden onze wegen.
De laatste stappen
waren te zwaar om te dragen.
Toch gaan wij verder
over een pad zonder naam.
De hoek van de bank is leeg
de stilte zit waar jij zat.
Twee paden,
en toch dezelfde richting, het onbekende.
Jij bent rustig heengegaan,
losgeraakt van tijd en plaats.
Wij blijven achter,
leren leven
met jouw afwezigheid.
Daar valt niet over te onderhandelen.
Ergens ben jij nog bij ons.
In ademloze momenten,
in herinneringen
die zich vastklampen
en niet willen ontsnappen.
Misschien,
ooit,
als de dagen zachter worden,
zullen wij begrijpen
wat nu nog te groot is
om te bevatten
— Mario
Gedoofde vlam
De hitte van de ontstoken vlam
ontstijgt het ik. Wat ik niet kan,
jij onttrekt alle hitte, ook die ik
jou gaf, zonder jouw tegengift.
Waarom treuren bij zoveel
hartstocht, die ik met je deel?
Onverzadigd zitten wij tesaam,
voel ik ons te lang onvoldaan?
Nu de vlam geheel is gedoofd,
de hartstocht mij is ontroofd,
voel ik ’t branden van mijn huid,
mis zo jouw woordloos geluid.
Gedwongen
Ik ben je tegengekomen
Het was al zo lang geleden
Moet mezelf soms intomen
Ik vecht met het heden
Een stralend lichaam
Schitteringen in je ogen
Ik naderde langzaam
Mijn hart was opgetogen
Je lachte naar mij
Zoals jij alleen dat kan
Je was echt vlakbij
Je zat onder een boom
Ik was compleet in de ban
Tot hij uiteenspatte die droom
’s Morgens bezeer ik mijn voet
Aan scherven overal verspreid
Wat slaap al niet met je doet
Iedere morgen neem ik afscheid
—
Gedwongen
De Tijd wijst naar een ander Oord
Hier volgen enkele woorden aan mijn geliefde
Het is beter dat tranen niet meer stromen
Ik weet nog toen jouw blik me doorkliefde
En verliefdheid op me was neergekomen
Naar adem happen was een inspanning
Nog maar te zwijgen van mijn hart
Mijn verstand dwong ik tot verbanning
Dat was toen een droomstart
Nu de tijd zo aanwezig is
Wil hij niet meer vertrekken
Er resten mij nog wat woorden
Een ontmoeting met gelijkenis
Ik wil dat niet meer toedekken
Vertrek alsjeblieft naar andere oorden
Drogbeeld
Het drogbeeld van je vroegere ik
Hoe lang denk je dat je jong bent
Wanneer je vergankelijkheid besef krijgt
Gepasseerde stations aan je voorbij gaan
Zinloos teruggrijpen naar het verleden
Krampachtig vasthouden aan wat eens was
Met geluk heb je nageslacht met je eigen dna
En zie jezelf terug in je kinderen
De eigenschappen die je nu pas beseft
Dan is het goed geweest en gegaan
En kun je rustig heengaan
Gelaten Afscheid
De muren zijn vrienden voor het leven
Ze onthouden zich van commentaar
Maar in het luisteren zijn ze bedreven
In mijn ogen zijn ze betrouwbaar
Af en toe komt er iemand binnen
Wat die komt doen is me een raadsel
Misschien moet ik er iets bij verzinnen
In een flesje heeft die een maaksel
Bed en kast maakten deze kamer
Hiermee moest ik het maanden doen
Straks wil ik echter het licht zelf uitdoen
Nooit in mijn leven voelde ik me eenzamer
Familie en vrienden zijn me voorgegaan
En weten niet af van dit helse bestaan
Er klopt iemand zachtjes op de deur
Ik bedoel op de deur binnen in mij
Het wordt een afscheid in mineur
Overgaan heeft altijd een keerzij
Anna op een Zeepbel gezeten
Ik zag een zeepbel in de lucht
Een luchtbel vanuit het niets
Bezig aan een snelle vlucht
Ik ging ze achterna op de fiets
Dansend op zuchtjes wind
Aan niemand gebonden
Die bel was van een kind
Dat heeft iets toegezonden
Met de hemel als bestemming
De bel is nochtans doorzichtig
De reden is zwaarwichtig
En er schuilt een bedoeling
Het meisje is zonder mama
Ik weet nog, ze heette Anna
Een zeepbel spatte uit elkaar
De hemel maakte geen bezwaar
Een herinnering is immers kwetsbaar
Na zoveel tijd
Ik verlang nog immer naar,
Een streling, een kus van haar,
Degeen ik nog daaglijks mis,
Nimmer uit mijn gedachten is.
Als ik nu beî mijn ogen sluit,
Verschijnt haar beeld,
Komt d'r lach me tegemoet.
Zij verhit nog steeds m’n bloed,
En na zoveel tijd,
Nog mijn hart en liefde steelt.
Onvermijdelijk onverwacht
Mijn allerliefste lieveling,
Ik houd zo ontzaglijk veel van jou,
Dat het pijn doet in mijn hart,
Al ben je slechts mijn herinnering.
Die herinneringen zijn zo fijn,
Maar steeds gemengd met ’t venijn
Van het verschrikkelijke afscheid,
In een reeds ver verleden tijd.
Wij waren zo lang zo gelukkig saam,
Dat toen ’t afscheid kwam nabij,
Wijl jij onverbiddelijk dood zou gaan,
Ik het zo lang als kon wilde rekken,
Jij ’t niet tegenhouden kon,
En uit ’t leven moest vertrekken.
Licht kan niet zonder Donker
Er is een leegte ontstaan
Daar zijn geen woorden voor
Ik ben er nog altijd van ontdaan
Toen ik je voorgoed verloor
Onze horizon kleurde licht
Ik heb nooit anders geweten
Eén die niet voor donkerte zwicht
We waren door geluk bezeten
Destijds op klaarlichte dag
Ik las onlangs nog het verslag
Het was of ik alles terugzag
Het was op een woensdag
Dat ze daar zo stil neerlag
Morgen is haar naamdag
Onder de avondzon
Onder de avondzon
gloeit haar naam na
Tussen klokslag en lantaarns
brandt een klein, eigenzinnig licht,
geen schijnwerper
maar een lampje dat je opmerkt
als je even stil durft staan.
Ans heette dat licht.
Ze keek je aan
alsof je meer was dan papier,
meer dan cijfers in een rij.
In haar ogen paste een stad
vol zorgen, kinderen,
scherven en hoop.
Ze liep door Capelle
met koffie in haar handen
en zachte onverzettelijkheid in haar stem.
De wereld kwam niet goed
met tabellen en taal, zei ze,
maar misschien wel
met koekjes op tafel,
een stoel die vrijkomt,
en een oor dat niet opschuift.
Ze knipte linten door
alsof ze muren opensneed:
Valentijn als grap,
en tegelijk bloedserieus -
een stad die even
“aardiger voor elkaar” mocht heten,
alsof liefde beleidsdoel kon zijn.
In wijken waar wantrouwen
als onkruid langs de stoep groeit,
ging zij zitten.
Eerst keken ze de overheid aan,
toen haar.
Na tien minuten
was er alleen nog mensentaal:
lachen, klagen,
een verhaal dat eindelijk landen mocht.
Ze was soms onvoorspelbaar,
nooit onverschillig.
Haar eerlijkheid had humor,
haar directheid had hart.
Alsof ze fluisterde:
“De wereld blijft ingewikkeld,
maar we beginnen gewoon
met jouw verhaal.”
Nu is de stoel leeg,
de thermoskan uitgespoeld,
blijft er stilte over
in vergaderzalen en portieken.
Op een novemberavond
viel haar lichaam stil,
maar in kinderhanden,
in veilige deuren
en in kamers waar nu geluisterd wordt,
brandt haar besluiteloos felle ja
tegen onverschil.
Ze leerde een stad
dat politiek ook huid heeft,
adem, hartslag,
dat achter elk dossier
een mens verscholen zit
die zacht aangeraakt wil worden
door aandacht zonder haast.
En zo stel ik me voor
dat ergens boven Capelle
een lampje blijft branden,
hardnekkig en zacht,
dat niet uit wil,
niet uit kán.
Op de dag
dat haar verjaardag weer nadert,
kijkt de stad even om
en wordt het iets stiller
op straat.
Iemand schenkt koffie in,
iemand zegt: “Vertel maar,”
en ergens gloeit dan
heel even haar lach na.
Onder de avondzon
zeggen we: dank je, Ans.
Blijf zacht branden,
in elke hand die reikt,
in elke deur die open gaat,
in ieder mens
dat mens durft zijn
bij het licht
dat jij naliet.
Terug
Wachtend op ’t einde,
Keerde hij terug,
Naar ’t begin,
Langs de weg,
Hij door ’t leven ging.